De bezetting van Winterswijk

Oorlogen zijn niets voor gewone mensen. Zij zijn bezig met hun werk, met de opvoeding van hun kinderen, ze kaarten of spelen jeu de boule zoals in Frankrijk. Ze kunnen echter in slechte tijden belanden waarin er onvoldoende brood op de plank ligt. Dan vragen ze zich af wat ze daaraan kunnen doen. En het antwoord luidt dan, daar kunnen ze niets aan doen. En ze raken ontredderd want ze voelen zich machteloos en ontheemd. Hun graan brengt geen geld op en hun arbeid wordt niet gevraagd. Ze behoren tot een nutteloos overschot. De oorlog begint niet met wij tegen zij maar met de ontredderde wij. En dan kruipt het ressentiment uit zijn donkere grot in het bewustzijn en wordt het ontredderde wij een wij tegen zij. Rancune, zoals Menno ter Braak ressentiment ook wel noemde, wordt je niet opgelegd door een ander maar komt van binnenuit. Waarom wordt je rancuneus, is dan de vraag (1).


Dat is een lastige vraag. In lokale gemeenschappen zoals Winterswijk prevaleert een oeroude sociale orde waarvan het belangrijkste kenmerk de voorspelbaarheid van gedrag is. Men weet wat men aan elkaar heeft. Dat is deels een kwestie van afspraak, een kwestie die tot traditie wordt. Door de week werkt men, op zondag gaat men naar de kerk. Verjaardagen spelen zich af binnen de familie en het jaarlijks Volksfeest is een traditie voor iedereen. Afspraken vergroeien tot tradities en tradities tot instituties en zo blijven lokale gemeenschappen tot in de eeuwigheid bestaan, zo lijkt het. Maar dat is misschien helaas niet waar. Ideeën verschijnen als dreigende wolken boven de horizon en waarschuwen voor onweer. En dan komt het onweer hard en venijnig, de tanks rollen binnen en de bajonetten staan op scherp. En dan verkeert orde in wanorde en sluipt de orde stilletjes weg uit de gemeente en de bewoners blijven radeloos achter.


Winterswijk is een rustig dorp, het is bedaard en van oudsher gericht op het oosten, minder op het westen want het oosten is vlak over de grens, dus dichtbij en ze spreken daar ook hetzelfde dialect. Ze zijn ook bedaard en het is dan ook merkwaardig dat de Winterswijker de Duitser een “Pruus”noemt, iemand uit Pruisen. Bovendien klink het beter dan Duutser dat dan ook niet gebruikt wordt. Toen ik in 1962 eindexamen moest doen aan de HBS in Groenlo had ik een zin gerepeteerd die ik als volgt uitsprak: Meine Familie mutterseiterlich ist Deutsch. Het was ongeveer de eerste zin die ik uitsprak en de examinator keek me goedkeurend en met iets van bewondering in zijn ogen aan. Dat kwam door mutterseiterlich. De Duitsers die ik daarover sprak kenden dat woord niet. Sindsdien heb il altijd een goede band met Duitsers gehad. In die tijd wist je van oorlog en dergelijke niets af. Aan beide kanten van de grens gold: spreken is zilver zwijgen is goud.


In rustige tijden is ressentiment een slapend gevoel maar het steekt de kop op binnen een sociale orde waarin grote veranderingen de sociale cohesie ontwrichten. Deze veranderingen kunnen van velerlei aard zijn, of het nu gaat om veranderde opvattingen over de verdeling van macht of een langdurig economisch verval en veroorzaken gevoelens van onbehagen en vervreemding bij de mensen, een vervreemding die leidt tot anomie, identiteitsverlies, een onvermogen om te zien dat men bij de verliezers gaat horen. Naarmate het onbehagen toeneemt, gaan sommigen zich “terugtrekken” uit de samenleving, anderen radicaliseren of vervallen in nihilisme. Bij radicalisering treedt een charismatisch leider op als vertolker van het ressentiment. Dat kan een onbetekenend mannetje met een snorretje zijn die wel kan uitgroeien tot een machtig leider die zijn tegenstanders aan pianosnaren liet ophangen en daarbij vriendelijk toekeek. Was hij niet de echte vertegenwoordiger van het ressentiment? Of was hij de vertegenwoordiger van de angst die toeslaat wanneer de rust van de sociale orde verkeert in onrust?


De Joden in Winterswijk

De Joden in Winterswijk waren doorgaans werkzaam in de handel of het ambacht. Ook de edele kunst van het dansen werd door hen onderwezen. Ik heb nog les gehad van de heer Meijler, medio jaren vijftig, op woensdagavond want die was bedoeld voor de katholieke jeugd. De heer Meijler was ook dansmeester op het Volksfeest in het Feestgebouw dat in 1966 door een storm vernield werd.

Wat hem was overkomen in de oorlog wist ik uiteraard niet. Niemand wist iets over de oorlog, althans de jeugdigen niet en de ouderen bewaarden een zorgvuldig stilzwijgen. De oorlog was een vergeten geschiedenis voor diegenen die erdoor getroffen waren. Pas in de jaren zestig kwam bij mij het besef dat er een oorlog was geweest en niet een gewone oorlog zoals we die wel kenden van Napoleon maar een aparte oorlog waarin de doden niet alleen vielen op het slagveld maar ook en vooral in kampen, vernietigingskampen. Dat was geen oorlog waarin om onnaspeurlijke redenen de een de ander bevocht, onder die oorlog weefden de demonen van het kwaad hun onzichtbare weefsels van dood en verderf die hun willoze uitvoerders vervolmaakten in de talloze treinen naar het oosten waar de dood wachtte in de verborgen spelonken van de gaskamer. Maar dat wisten we toen niet. Waarom moesten ze sterven, wat hadden ze misdaan?


Er werd door de nazi’s gesuggereerd dat de Joden rijk waren, gewetenloze lieden die er op uit waren om de eenvoudige landman te bedriegen. Was dat ook het geval in Winterswijk? Kooger vermeldt hierover:

Winterswijks joodse bevolking was in meerderheid ingedeeld in de vakgroep van veehandelaars, manufacturiers en slagers en deze ambachten dwongen de eenvoudige Joden om dagelijks uit te zwermen over de buurtschappen van het dorp en daar bij de boeren, bij vele “köpkes koffie”, een schamele boterham te verdienen. De “jödde” werd daar aanvaard als de andere, gerespecteerd als zodanig en zonder nadenken als een bepaald wezenlijk element in die dorpse samenleving geaccepteerd.”(2)


De ordentelijke Duitse huismoeder dacht daar echter anders over. Ze vertelde haar kinderen over Adolf Hitler:

De Joden kwamen in dichte drommen naar Duitsland, uit het Oosten, uit Polen, waar altijd al heel veel Joden woonden. Net als Vodden-Jacob en de Joden uit Weenen kwamen ze in lange zwarte jassen, met zwarte ogen, donkere haren, een paar bundeltjes in de hand en hun vrouwen en kinderen om hen heen. Het duurde echter slechts kort, of alles behoorde hun toe: huizen en akkers, boerenhofsteden en fabrieken en goed en geld. Dat alles namen ze ons Duitschers af door allerlei listen en trucjes. Want eerlijk en vlijtig werken was iets, dat niet in hun kraam te pas kwam. Had Adolf Hitler dus geen gelijk, toen hij zich tegen hen verzette?” (3).


De nazi propaganda etaleerde in woord, en zeker ook in beeld, de jood als verachtelijk. De nazi propaganda was gericht: op de verinnerlijking van de slechte jood in het collectieve bewustzijn van de Duitsers. Om een treffend Duits woord te gebruiken, de Joden werden “verdinglicht”, tot een ding gemaakt, iets waar totalitaire regimes het patent op hebben. Dat was een noodzakelijke voorwaarde voor de discriminatie en het daarop volgende geweld in de vorm van de Kristallnacht en de Holocaust. Het beeld dat de brave Duitse huismoeder schetst is bijna symbolisch: drommen Joden met vrouwen en kinderen en een paar bundeltjes in de hand op weg naar de kampen.


Er werd een synagoge gebouwd in 1889. De plaatselijke krant merkt hierover op:

Heden was het een feestdag voor de gehele Isr. Gemeente alhier… Behalve de gemeenteleden, waren vele genoodigden en nieuwsgierigen aanwezig, op wie zonder twijfel de eenvoudige en toch zeer prachtvolle inrichting van het gebouw, dat voor deze gelegenheid met groen en vlaggen versierd was, een gunstigen indruk maakte.”


In 1905 werd de toneelgroep Ons Genoegen opgericht. In 1930 voeren ze een revue uit met als naam “Circus Kolle Kaal”. Het leek Parijs wel in Winterswijk. De revue waarvan de naam Kolle Kaal de gehele gemeenschap betekent, markeerde de overgang voor de gehele gemeenschap van de roaring twenties naar de jaren dertig van de Grote Depressie.


Daarna werd de breuklijn langzaam maar zeker zichtbaar. De joodse kinderen volgden het godsdienstonderwijs van hun zevende tot hun dertiende jaar in het cheider, een leslokaal, waarvan dr. Hemelrijk zegt:

Op het cheider leerde je de vroomheid, die meer waard was dan alle dingen van het leven samen”(4).


Hij voorvoelde het onheil toen hij als onderwijzer in Winterswijk werkte. Hij hoorde de schimpscheuten jegens de Joden op straat. Maar hij geloofde als socialist meer in de vreedzame klassenstrijd. Hij kende de Winterswijkse schilder Max van Dam, evenals hij joods en socialist. Het lijkt vaak alsof kunstenaars een speciaal zintuig hebben waarmee ze de wereld kunnen voorzien. Maar voor Max van Dam was het te laat. Hij vluchtte, werd gepakt en in 1943 om het leven gebracht in Sobibor. Zelf dook dr. Hemelrijk onder en wist de oorlog te overleven.


Van de komst van de joden in 1647 en hun vreedzame verblijf tot 1940 is 293 jaar. Wat in die 293 jaren vreedzaam was opgebouwd, werd in de vijf jaar daarna volledig verwoest, niet door de tien plagen uit de Exodus maar door één plaag waarvan de Thora onkundig was, een plaag waarvan de betekenis niet zomaar is vast te stellen, bijvoorbeeld met het woord antisemitisme, daarvoor was de plaag te groot. Waarom moesten ze sterven, wat hadden ze misdaan? Het antwoord kan mijns inziens liggen in de psyche van de onderdrukkers die hun eigen demonen ontketenden met als onbewust doel zichzelf te vernietigen. Want was het Derde Rijk niet een aaneenschakeling van overwinning naar overwinning tot de uiteindelijke overwinning in 1945? (5) Het Derde Rijk was de uitkomst van een ontwikkeling die rond de Eerste Wereldoorlog begon en tijdens het interbellum doorzette. Zoals Robert Gerwarth, een historicus, opmerkt:


Nazi-Duitsland en zijn openlijk imperiale uitroeiingsproject van eind jaren dertig en begin jaren veertig werden voor een belangrijk deel gevoed door de logica van etnische conflicten en irredentisme, die was ontstaan als gevolg van de Eerste Wereldoorlog en de nieuwe grenzen die in 1918-1919 werden getrokken.” (5)


De vraag of er een oorzaak/gevolg relatie is geweest tussen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog is lastig te beantwoorden. In dit verband worden de herstelbetalingen genoemd uit de vrede van Versailles maar uit het boek van Gerwarth blijkt dat de relatie veel ingewikkelder lag. De overgang van de oude Rijken naar tal van nieuwe natiestaten met soms een vergaand vergroot grondgebied en corresponderende verkleining daarvan bij de verliezers leidde tot de ontworteling van vrijwel geheel Europa, leidde tot hongersnoden en burgeroorlogen en mentaal tot ressentiment waarvan Hitler gebruik maakte om het Duitse volk tot oorlog bereid te maken hetgeen wel herleid kan worden tot Versailles. En ik vermoed dat er iets meespeelt dat in een ander artikel op deze website, het onderscheid tussen locals en cosmopolitans genoemd wordt. De locals waren gedesoriënteerd toen ze terugkeerden uit een van de oorlogen, de linkse en rechtse cosmopolitans waren meer bezig met het voorbereiden van de revolutie in eigen land. In Winterswijk was daarvan geen sprake. De sociale tegenstelling links/rechts was er zeker wel maar werd in toom gehouden door de gezamenlijke oriëntatie van de plaatselijke locals en cosmopolitans op hun gezamenlijke ambitie: een vreedzaam en zo mogelijk een tevreden bestaan.


De Grote Depressie

Het decennium voor de oorlog bracht voor menigeen armoede. Maar er deed zich ook nog iets anders voor, de ontworteling van gehele samenlevingen, vooral zichtbaar in Amerika en Duitsland. In beide landen nam de gramschap toe en de wrok, maar ze vonden volkomen tegengestelde oplossingen om daar mee om te gaan.

Lang niet iedere Duitser was een aanhanger van Hitler maar er waren er genoeg om hem in 1933 op democratische wijze aan de macht te helpen. Hij was een gefrustreerd en rancuneus man die niet tegen kritiek kon. Hij hield meer van dieren dan van mensen, onder zijn regime werd wreedheid jegens dieren strafbaar gesteld. Zijn aanhangers waren door hem geobsedeerd, niet vanwege zijn uiterlijk maar vanwege zijn ongelooflijke en angstaanjagende charisma. Hij bouwde, in de woorden van Sloterdijk(6), een van de grootste wraakbanken in de geschiedenis waarvan hij oprichter en enig aandeelhouder was, een bank waar wrok gedeponeerd werd in ruil voor wraak. De opbouw van de bank nam enkele jaren in beslag en leidde tot de grootste wraakactie in de geschiedenis. Ze was gebaseerd op een snelle overgang van een samenleving met een Bildung gerichte elite naar een samenleving waarvan de massa ideologisch gericht werd op het eigene, de Ariër die niet alleen moreel maar ook etnisch superieur was. Deze ideologische omvorming had al eerder plaats gevonden in Rusland. In Spanje en Italië kwam deze omvorming eveneens in de jaren dertig tot stand met de opkomst van Franco en Mussolini. Het was een tijd van turbulentie, die zich zelfs in de Achterhoek deed gelden als een soort mentale neerslag uit verre depressiegebieden, zoals we nog zullen zien.


Hitlers model van de samenleving was er niet een van wederkerigheid maar van pure macht. Het model kende een strakke hiërarchische structuur waarin eenieder zijn plaats had met een absoluut leider aan het hoofd en een groot vertrouwen in de maakbaarheid van het model. Het paste binnen de twintigste eeuwse traditie van de grote maakbare samenlevingsmodellen zoals het communisme en het fascisme met grote leiders zoals Mussolini, Stalin, Mao Tse-Tung en Pol Pot. Geweld was bij al deze ideologieën ingebakken. Ze vormden een gewelddadige aftakking van het in de negentiende eeuw ontwikkelde nationalisme en socialisme. In Nederland was ook het liberalisme een belangrijke maatschappelijke stroming maar hier ter lande was men sinds lange tijd gewend geraakt aan vreedzame oplossingen voor sociaal-filosofische tegenstellingen die politiek vertaald werden. Het socialisme vertaalde zich in een emancipatiebeweging voor arbeiders (PvdA) evenals een emancipatiebeweging voor de kleine protestantse luiden (ARP) en voor de katholieken (KVP). Met grote modellen had de Nederlander weinig op en al zeker niet als ze geweld legitimeerden. Hij volgde zijn politieke voormannen omdat hij er op vertrouwde dat ze het goede met hem voorhadden, hetgeen doorgaans ook het geval was. De oude staatslieden waren doorgaans ook wel eerlijke lieden.


De Grote Depressie maakte een tegenstelling zichtbaar die voorheen vrijwel uitsluitend bekend was bij mensen die er zich in verdiept hadden, de tegenstelling tussen kapitaal en arbeid. Deze tegenstelling was in Winterswijk wel bekend maar gematigd, kapitalisten (scholtenboeren en textielfabrikanten) en arbeiders wisten dat ze van elkaar afhankelijk waren. Ze was veel beter zichtbaar in de oude industriële gebieden in Wallonië, het Roergebied en Manchester.

Winterswijk was in deze dagen een standenmaatschappij , niet zozeer een klassenmaatschappij. In een standenmaatschappij is de sociale status van de leden ervan gelegitimeerd, meestal door traditie, afkomst of bezit. De Grote Depressie veroorzaakte echter scheurtjes in deze maatschappij, vooral bij de lagere middenklasse die verarmde en de armoede niet aan zichzelf kon wijten. Deze stille armoede kon zich niet uiten via demonstraties of stakingen maar werd verkropt. Hun verlies aan sociale identiteit konden ze niet goedmaken. De rancune van de enkeling werd daarmee de rancune van een groep van machtelozen die meer nog dan geld genoegdoening zochten. En die kregen ze.


Men koos in deze tijd niet de weg naar Amerika zoals rond 1860 gebeurd was want er was een alternatief, de NSB. Deze zou genoegdoening verschaffen op basis van een rücksichtslose ideologie. In die nazi-ideologie zou het latente ressentiment bewust gemaakt worden als een manifest ressentiment waarbij de latente ongerichtheid veranderde in een manifeste gerichtheid tegen de joden. De slachtoffers van de sociale verandering in de jaren dertig, vooral de petit bourgeoisie, vonden een herkenbaar slachtoffer in de vorm van de jood. Zoals Simon Schama in zijn boeken over het jodendom duidelijk maakt is dat niet iets typisch Duits of Europees, het is van alle tijden en alle plaatsen. Mijns inziens is de kern ervan een periode van ingrijpende sociale verandering waarbij het ermee gepaard gaande conflict leidt tot vernietiging zoals bij een zondvloed. Dat de joden ook in Winterswijk geslachtofferd werden is alleen maar te begrijpen vanuit de enorme kracht die de ontreddering ook bij kleine groepen mensen kan bewerkstelligen,


dr. Bos, oorlogsburgemeester

Zonder de dissertatie van Kooij over de NSB in Winterswijk was de associatie van nationaalsocialisme en Winterswijk wellicht nooit gelegd maar beelden blijven hangen of ze waar zijn of niet maakt niet uit (7). In de crisistijd kwamen NSB-ers in Winterswijk voor evenals elders. Hitler was voor menigeen een populair figuur in die jaren: hij zorgde voor welvaart. Hij legde autowegen aan waarop Volkswagens reden. En Winterswijkers hadden vanouds nog de oriëntatie op het oosten behouden.

Hitler was echter ver weg, dr. Bos dichtbij. Deze veearts genoot groot aanzien in de buurtschappen, hij was iemand die bij de boeren hoorde, gemoedelijk en tijd voor een praatje. Hij was ook NSB-er. Een man die het goede zocht maar het kwade vond want hij werd ook meegesleurd door de ideologie van zijn tijd, wellicht zonder dat hij zich daarvan bewust was want zijn bewustzijn van het foute kwam pas later, in de oorlogsjaren, toen hij zich realiseerde dat de Joden echt naar de verdoemenis gingen.

In feite was Bos een reflexie van de burgers van Winterswijk: wat moet ik doen in oorlogstijd, gehoorzamen aan de bezetter, mond dicht houden, Joden helpen, stiekem naar Radio Oranje luisteren, geld verdienen aan de Duitsers, joodse onderduikers aangeven?


Krosenbrink concludeert, dat dr. Bos rancuneus was en rancune en ressentiment liggen dicht bij elkaar. Hij merkt in zijn boek over dr. Bos op:

Winterswijk was in de jaren dertig een duidelijk voorbeeld van een standenmaatschappij. Elke bevolkingsgroep was scherp sociologisch in te delen en tussen de groeperingen bestonden duidelijke scheidslijnen…Bos heeft die lijn overschreden…Hij was beneden zijn stand getrouwd. Dat had als consequentie, dat hij in kringen, die hem als gelijken konden beschouwen niet geaccepteerd werd.”(8).


Kooij concludeert over de opkomst van de NSB als volgt:

“De snelle en omvangrijke nazificatie te Winterswijk zou onmogelijk zijn geweest zonder een grote economische crisis, die onder een breed, eerder volgzaam en weinig politiek bewust, maar reeds lang latent gefrustreerd deel der bevolking het klassebewustzijn deed ontwaken.(9)”


Rancune was mijn inziens als sociologische factor leidend bij de opkomst van de NSDAP en de NSB in het interbellum. Dat had te maken met een sociale ontwikkeling waarin het perspectief op een eerzaam bestaan in de vorm van brood op de plank en een bevredigend sociaal leven in de verdrukking kwam. Dat leidt tot gevoelens van onmacht, de baan is er bijvoorbeeld niet terwijl men wel wil werken en dat leidt weer tot wrok. Doorgaans echter leidt wrok tot afkeer van andere groepen die men verantwoordelijk houdt voor de wrok. Tegenwoordig spreekt men wel van de politieke en bestuurlijke elite, vroeger was er sprake van de bazen, kapitalisten en couponnetjesknippers die hun geld verdiend hadden in de Oost.


In de toenmalige dorpsgemeenschap van Winterswijk heb ik na de Oorlog echter niet veel gemerkt van wrok. Voor, tijdens en nog zo’n anderhalf decennium na de Oorlog was de gemeenschap verzuild en was er vanuit de Kerken voldoende sociale controle om de mensen op het “rechte pad” te houden. Er was wel enige wrok te bespeuren jegens de scholtenboeren maar ik heb toen niets gemerkt van wrok jegens de textielfabrikanten, toch ware kapitalisten zou je zeggen. Ze waren echter doordrenkt met het Rijnlands model en dat staat, anders dan het Angelsaksisch model, voor samenwerking en erkenning.

De Winterswijkse arbeiders waren doorgaans socialist en de katholieke arbeiders waren lid van de KAB. De goede verstandhouding leidde veelal tot colleges met een coalitie tussen PvdA en KVP, het was tot ver na de Oorlog usance dat de burgemeester een PvdA-man was.


Ressentimentgroep

In mijn optiek leidde de door Kooij genoemde latente frustratie (en ook een latent en later manifest antisemitisme) ten gevolge van de economische crisis tot de opkomst van een ressentimentgroep die landelijk mogelijk werd gemaakt door een leider, Mussert en plaatselijk door dr. Bos. Zonder een leider geen ressentimentgroep. De vorming van een gesloten ressentimentgroep bevordert een groepsdruk waarbij steeds extremere meningen mogelijk worden. Hun grote voorbeeld was Hitler die een enorme ressentimentgroep aanvoerde die zich na de vernederende vrede van Versailles ontwikkeld had tijdens de Weimar Republik met zijn gewelddadige vrijkorpsen waarbij de vrijkorpsen de weg effenden voor de terreur van het ressentiment, Georganiseerd ressentiment, zo leerde de Franse Revolutie al, leidt tot onvoorwaardelijk geweld van een nietsontziend karakter waarbij wrok het belangrijkste ingrediënt van het ressentiment is. Maar in Winterswijk had het nazistische ressentiment niets voorgesteld zonder de Duitse bezetting, die faciliteerde dit ressentiment in de vorm van de NSB, met name de “kwaaie” NSB-ers die geweld in de vorm van deportatie van Joden nuttig achtten.


Van deze ressentimentgroep in Winterswijk maakten de plaatselijke textielfabrikanten en de arbeiders geen deel uit, zij waren antinazistisch evenals de katholieken waar de straf voor het lidmaatschap van de NSB bestond uit excommunicatie. De NSB was oververtegenwoordigd in de plaatselijke middenstand, dezen waren niet georganiseerd en konden met moeite het hoofd boven water houden. Het waren de petit bourgeois, de kleinburgers die, verscholen achter hun vitrages, de voorbijtrekkende gelaarsden aanschouwden die hen genoegdoening zouden geven. Hen werd geen perspectief geboden en perspectiefloosheid is een belangrijke voorwaarde voor het vormen van ressentiment. De boeren konden altijd nog van hun grond leven maar de middenstander had klandizie nodig die er niet was. Mensen met een latente frustratie geven geen Joden aan, mensen die bezield zijn door ressentiment wel. En dat was mogelijk gemaakt door Hitler want de Fűhrer had het ressentiment gericht op de Joden, de Ander die vernietigd moest worden. De gang van de Joden naar het oosten had een onheilspellende betekenis gekregen. Ook in Winterswijk werden ze uit hun huizen gehaald onder het bange oog van de omwonenden waarvan sommigen het nodig vonden in het huis van de jood te gaan wonen en diens bezittingen te incasseren. Deze NSB-ers waren niet alleen kansarm of gedepriveerd, om woorden uit onze tijd te noemen, ze waren ook gewoon slecht, net zoals de premiejagers die op Joden joegen. Ze ontvingen zeven gulden vijftig per ingeleverde jood (9).


Verzet

Ook in Winterswijk kwam het verzet op gang tegen de Duitse maatregelen.

Het werk tegen de Duitse bezetter begint natuurlijk niet alleen vorm te krijgen in Winterswijk door het werk van Piet en Heleen Kuipers. Op veel andere plaatsen in Nederland komt men in het geweer tegen de Duitse maatregelen. In het begin zijn het vooral de Joden die geholpen moeten worden. Geleidelijk aan wordt het de mensen, die er oog voor hebben, duidelijk, dat de Joden geen enkele levenskans hebben als ze in Duitse handen vallen.”(10).


Men hield zijn mond uit angst voor represailles of verraad ingeval van onderduikers of verzet Een verkeerde opmerking kon leiden naar de gevangenis of de dood. Dat laatste was het geval met Gradus Kobus, een communist die Duitse communistische vluchtelingen hielp. Hij stierf in Neuengamme. Hij werd al ruim voor de oorlog met achterdocht bekeken door de Winterswijkse politie en ook de Duitse Gestapo bezocht hem in Meddo waar hij een huis had gebouwd. Kobus, maar ook anderen die over de grens kwamen, wisten maar al te goed dat de Kristallnacht ook had huisgehouden in de Duitse buurgemeenten.(11). Maar ook toen gold: spreken is zilver, zwijgen is goud.


Scheveningers in Winterswijk

Op 30 november 1942 verzond de president-directeur van het Bureau Afvoer Burgerbevolking een brief naar de burgemeester van Winterswijk, dr. Bos, met de mededeling dat Winterswijk was aangewezen voor het opnemen van circa duizend evacués uit Scheveningen waarvan de eerste helft zou arriveren op 7 januari 1943 en de tweede helft op 8 januari 1943. De evacuatie was noodzakelijk in verband met de aanleg van de Atlantik Wall die dwars door Scheveningen zou gaan lopen. De Duitse bezetter was Spaans benauwd voor een groot front in het westen van Europa. Deze angst leidde ertoe dat er op bevel van de bezetter een enorme verdedigingslinie werd aangelegd. Deze linie, de Atlantikwall, liep over een lengte van 5.300 kilometer van Noorwegen tot de Pyreneeën. Er werden ongeveer 15.000 bunkers aangelegd, met kanonnen, mijnen, prikkeldraad, tankgrachten, tankmuren, draketanden, enzovoort. Deze linie was niet een aaneengesloten gordel, maar werd op strategische plaatsen zoals havens en riviermondingen aangelegd. Deze linie slingerde onder andere dwars door Scheveningen.

De voorbereiding ervan werd door de commissaris der koningin in de provincie Gelderland per telegram aan de gemeente Winterswijk als volgt aangekondigd:

in verband met binnenkort te verwachten evacuatie van inwoners van kuststreken naar Oostelijk Gelderland heeft op Donderdag 22 October des voormiddags 9.30 ten Provinciehuize een bespreking plaats onder leiding van de evacuatiecommissaris mr. Mulder raad adviseur bij het departement van Binnenlandsche zaken. Ik roep U op tot bijwoning dezer vergadering en acht het noodzakelijk dat U op het aangewezen aanvangsuur aanwezig zijt.”

Uit een notitie van de burgemeester van 6 februari 1943, aanwezig in het archief van de gemeente Winterswijk, blijkt dat de evacuatie, enkele uitzonderingen daargelaten, goed verliep. Daarvoor had hij op 9 januari middels een bericht in de Nieuwe Winterswijksche Courant degenen bedankt die belangeloos hadden meegewerkt aan de evacuatie. Tevens vermeldt deze krant dat de commissie voor de organisatie van culturele ontspanning ten bate der geëvacueerden haar taak ernstig opvatte want na een succesvolle toneeluitvoering werd op 25 februari 1943 een filmvertoning aangeboden over het reddingswezen waarmee, naar verwacht werd, de Scheveningers bijzonder in hun sas zouden zijn.

Ze waren in ieder geval in hun sas met hun gastgezinnen, die toentertijd kwartiergevers genoemd werden, waarbij voor de eerste ingekwartierde twee gulden per dag betaald werd en voor de volgende 1,75 gulden. Voor een kind onder de achttien werd 1,50 vergoed. Het was een goede “deal” want de ingekwartierden werkten ook mee in de huishouding of het boerenbedrijf.


In een toespraak op 4 mei 2006 vertelt de heer Stolte, wethouder te Scheveningen:

Uit Duindorp werden rond de 10.000 mensen geëvacueerd, de meeste naar de Achterhoek. Zo vertrokken begin januari 1943 1000 evacués naar Winterswijk, 600 naar Aalten en 400 naar Lichtenvoorde. Hun bagage - 200 kg. , een matras, een ledikant plus een fiets per persoon, zo nodig een kachel - werd per schip vooruit gestuurd. Door medewerking van de kerken aan de evacuatie verhuisde de door de bezetter zo verfoeide ‘verzuiling’ mee: de Aaltense gereformeerde kerk nam enkele honderden Scheveningse geloofsgenoten op en liet zelfs eens in de drie weken de Scheveningse predikant komen. Waar Aalten te maken kreeg met Scheveningers van gereformeerde huize, waren de 800 Scheveningers die naar Winterswijk gingen vrijwel allemaal Nederlands Hervormd. En nog steeds zijn de banden tussen deze gemeenschappen hartelijk.”


Uit het bronnenmateriaal over deze periode en de interviews komt een beeld naar voren van evacués die zich aanpasten aan de omstandigheden, meewerkten op de boerderij, melkten, de was deden en dergelijke. Anders dan in latere tijden werden ze niet ondergebracht in centra zoals kamp Vosseveld voor de NSB-ers en later de Molukkers maar bij mensen thuis met hetzelfde hervormde geloof, waar de dagelijkse omgang met elkaar zorgt voor gewenning aan elkaar. Daardoor werden ze niet herkenbaar als groep waarmee eventuele groepstegenstellingen tussen Scheveningers en Winterswijkers niet mogelijk waren. Ook is er nergens sprake van dat Scheveningers lid waren van de NSB, iets wat bij Winterswijkers voor kwam. Wel schijnt er een vereniging te hebben bestaan met de welluidende naam “Vriendenkring draagt elkanders lasten Scheveningen-Den Haag” maar de geschiedenis ervan bestaat uit een foto. De evacués werden overigens indien nodig opgenomen in het katholieke ziekenhuis.


Naast de betrokkenheid van de gemeente bij de eerste opvang van de evacués blijkt voor wat betreft de opvang en geestelijke verzorging in de beginperiode ook de betrokkenheid van de hervormde kerk te Winterswijk. Op 28 december 1942 was er een ingelaste vergadering van de Kerkenraad. Agendapunt was de voorbereiding van de opvang van de uit Scheveningen te evacueren inwoners naar Winterswijk. De Kerkenraad stelt een evacuatiecommissie in. De aanwezige dominee Wartena geeft aan dat van de zijde van de Kerkenraad weinig medewerking valt te verwachten. Vanuit de Nederlands Hervormde kerk te Scheveningen is er contact met de heer van den Dulk, ouderling aldaar. Er wordt een inventarisatie gemaakt van namen en adressen van families die zich vrijwillig voor de opname van evacués hebben gemeld. Bij aankomst zal er een circulaire aan hen worden uitgedeeld. Verder krijgen ze een kopje koffie aangeboden. Wat de geestelijke verzorging van de evacués betreft, komt er tijdens de vergadering van 16 januari 1943 aan de orde dat er zo’n 250 adressen moeten worden bezocht. Er wordt overleg gepleegd met de Scheveningse predikanten dominee Offringa en dominee de Jong, omdat zij de geëvacueerden het beste kennen. Tijdens de vergadering op 12 februari 1943 komt de geestelijke verzorging nogmaals ter sprake.


Bomben-beschädigten

Overigens kwamen in december 1943 ook nog circa 350 personen, zogeheten “Bomben-beschädigten”, voornamelijk Duitse vrouwen en kinderen aan in Winterswijk. Ze werden ondergebracht in een honderdtal daartoe gevorderde woningen waarvan de bewoners maar zelf voor onderdak moesten zorgen. Ze bleven tot ongeveer augustus 1944 en verdwenen toen in verband met het oprukken van de geallieerden weer naar de Heimat.


De tankslag in het Woold

De laatste tankslag die voor de Scheveningers van belang was, werd echter niet geleverd aan de Atlantik Wall in Scheveningen maar in het Woold waar de 53ste Welsh division, nadat Bocholt in hun macht was, koers zette naar het Woold met hun Kangaroos en Sherman tanks waar de resterende veelal jonge Duitsers verslagen werden. Daarmee was voor de Scheveningers de cirkel rond en konden ze weer terugkeren naar hun geliefde woonplaats.


Op 30 maart 1945 werd in de buurtschap het Woold een tankslag geleverd tussen de geallieerde 53 Welsh Division, een infanteriedivisie, en de restanten van de Fallschirm-Sturmgeschütz-Brigade 12. Beiden vochten in augustus 1944 in Normandië en kwamen via het Ardennenoffensief terecht bij Arnhem waar de Operation Market Garden uitgevochten werd met een verlies voor de geallieerden. Daarna trokken ze via Wesel naar het platgebombardeerde Bocholt en vervolgens naar Winterswijk waar ze hun laatste slag uitvochten in het Woold met de geallieerden als winnaar. Er sneuvelden negen geallieerden en zestien Duitsers. De 53 Welsh Division beëindigde haar krijgstocht in Hamburg, de Duitse overlevenden werden in Wilhelmshafen geïnterneerd. Zij behoorden tot de laatste bewapende Duitse troepen in Europa. Deze slag maakte deel uit van de geallieerde operatie Plunder waarvan het doel was om het Roergebied in handen te krijgen om daarna naar Berlijn door te stoten waar de Russen echter eerder waren.


In 1970 ontmoette een geallieerde luitenant een Duitse sergeant in het raadhuis in Wesel op een reünie. De sergeant vroeg hem of hij bij de parachutisten behoorde. Nee, zei de luitenant, ik zat bij de infanterie en bij Winterswijk schoot iemand acht van onze Kangaroos kapot zodat brandende soldaten eruit vielen. Kangaroos waren transportvoertuigen voor de infanterie. Mijn God, zei de sergeant, dat was ik. De Engelsman en de Duitser verbroederden en stuurden elkaar ieder jaar kerstkaarten. Dat frappeerde mij nog het meest aan deze geschiedenis: dat je elkaar in 1945 wilt doodschieten en dat je vervolgens in 1970 verbroedert.



Frans Tolsma

Zomer 2015


Noten


1. Menno ter Braak, het nationaal-socialisme als rancuneleer, van Gorcum & Comp., Assen, 1937.

2. Kooger, H., Het oude volk, Kroniek van joods leven in de Achterhoek, Liemers en het grensgebied, Staring Instituut, Doetinchem, 2001, p. 200.

3. Johanna Haarer, Moeder, vertel eens wat van Adolf Hitler!, Uitgeverij Westland, Amsterdam, 1942, p.80.

4. Hemelrijk, mijn leven, Vereniging Het Museum, p.105, z.j.

5. Gerwarth, R., De Verslagenen. Waarom de Eerste Wereldoorlog nooit is opgehouden 1917-1923, Uitgeverij Balans, p. 242.

6. De Duitse naoorlogse literatuur wijst daarop, van Günther Grass (die Blechtrommel), Wolfgang Borchert (Draussen vor der Tür) tot Heinrich Böll (Haus ohne Hüter). De oorlog liet niet alleen een fysieke ruïne achter maar vooral een morele en maatschappelijke.

7. Sloterdijk, P., Woede en Tijd, Boom, 2007.

8. Krosenbrink, H., dr.W.P.C.Bos, zijn leven en zijn tijd, Staring Instituut en Vereniging het Museum, Winterswijk, 1995.

9. Kooy, G.A., Het echec van een ‘volkse’ beweging, nazificatie en denazificatie in Nederland 1931-1945, HES Publishers, Utrecht, 1982.

10. Liempt van, A., Kopgeld, Nederlandse premiejagers op zoek naar Joden 1943, Uitgeverij Balans, 2002.

11. Kuipers, E., Er was zoveel werk nog te doen…, tante Riek en oom Piet in de jaren ’40-’45, Vereniging Het Museum, Winterswijk, 1988.

12. Krosenbrink, H., Grensgevallen, Vluchtelingen tussen 1933 en 1940, 2009. Voor de lotgevallen van Kobus, zie: Krosenbrink, H., De rode draad, een politiek historische roman over het leven van Gradus Kobus, 2005, beiden uitgaven van vereniging het Museum.