Locals en cosmopolitans

Alweer enige tijd geleden vroeg iemand me of ik iets wist van de EU, met name of zoveel staten in Europa het eens zouden kunnen worden over verdergaande samenwerking. Dat hangt er vanaf hoever die samenwerking gaat, dacht ik. Ik kwam erachter dat de EU 27 lidstaten telt. Van oudsher werd de zucht tot overheersing beslecht met militaire macht. Dat zien we nu anders: economische macht is een ander middel geworden om hetzelfde doel te bereiken. Je trekt dan niet een ander land binnen met een leger maar zoals in het geval van de EU met geld. Het lijkt dan net alsof je niet binnenkomt als een heerser maar als een vriend. Met deze vermoeiende gedachten kwam ik na enige tijd uit bij Robert Merton.


Oriëntatie

Van de socioloog Robert K. Merton stamt het onderscheid tussen locals en cosmopolitans in een studie uit 1949: Social theory and social structure. Het gaat bij hen om een verschil in oriëntatie. De local heeft een concrete en meer traditionele oriëntatie op zijn wereld, bij de cosmopolitan gaat het om een meer abstracte en globale oriëntatie. Het onderscheid is niet zozeer een kwestie van opleiding of afkomst maar van oriëntatie: waar kijk je naar, de concrete alledaagse wereld om je heen of de wereld op TV en internet. Het onderscheid is ideaaltypisch: in de werkelijkheid zullen de oriëntaties door elkaar heen lopen.

Oorspronkelijk is oriëntatie de hoofdrichting van een kerkgebouw op het oosten, de Oriënt. Het woord betekent de zon gaat op in het oosten en ontwikkelde zich tot een blik op het opkomende zonlicht: zonder oriëntatie weet je niet waar je bent. Het gaat er dus voor alle duidelijkheid niet om of de lokale pub of geboorteplaats als lokaal beschouwd wordt, het gaat om een persoon met een bepaalde oriëntatie, de local met de blik op het concrete en nabije, de cosmopolitan met de blik op het abstracte en kosmopolitische. Dat heeft geleid tot een ideologie van cosmopolitans zonder ook maar een spoor van legitimiteit en dat is ook niet nodig. De huidige cosmopolitans interesseren zich niet voor legitimiteit, het gaat bij hen om de macht. Dat valt bijvoorbeeld te constateren bij het idee van kansenongelijkheid. Locals weten niet waar het voor staat, cosmopolitans vaak ook niet maar het is een abstract idee en het beeld ervan kan gebruikt worden in discussies over machtsaanspraken door cosmopolitans waarbij het gaat om het beeld van een ladder die beklommen moet worden om dichter bij het doel te geraken. Ik denk dat locals in het geheel niet geïnteresseerd zijn in die ladder want die is een illusie. Daar hebben ze het niet op. Die zijn voor cosmopolitans. Het treffende beeld voor een local is een stamtafel. En kan aan die stamtafel ook een cosmopolitan zitten of voelt die zich daar niet thuis?


Oriëntatie op taal, niet op werkelijkheid

Het lijkt wel alsof het onderscheid tussen locals en cosmopolitans in toenemende mate een taaloriëntatie aan het worden is en niets meer met de werkelijkheid te maken behoeft te hebben. Dan spelen met name politici en vrijgestelden een spel met de taal dat niet zozeer uitgaat van de werkelijkheid maar van betekenissen die woorden kunnen hebben. Hun taalspel is een onderhandeling over betekenissen op basis van politieke macht. Daarmee is hun taal ambivalent, meerduidig en vaak onbegrijpelijk. En veel belangrijker nog, taal wordt gepolitiseerd. Naast de bestaande scheidingen in klasse, stand of geld is er een nieuw onderscheid aan het ontstaan: het onderscheid in taal. Men zou kunnen spreken van een linkse en een rechtse variant in taal met een eigen woordgebruik en een eigen gespreksruimte van gelijkgezinden alhoewel er in de werkelijkheid veel meer varianten zijn. Rechts is vandaag de dag vrijwel onzichtbaar omdat locals nauwelijks deelnemen aan het politieke debat in de media. Voor degenen die social media gebruiken is het wel direct duidelijk aan welke kant van welke taalscheidslijn de locals en cosmopolitans staan. Daar staat links overduidelijk aan de politiek correcte kant van de scheidslijn.


Deze nieuwe scheidslijn, de taalscheidslijn, zorgt ervoor dat de sociale ongelijkheid in Nederland steeds groter wordt. Dat is logisch want taal is zo'n beetje het belangrijkste bindmiddel in een samenleving. Dat geldt met name voor cosmopolitans die de semantiek en de daarbij behorende politieke bevlogenheid nodig hebben om hun doelen te bereiken. Locals hebben vanwege hun oriëntatie ook een andere insteek op politieke punten. Voor hen is een veilige publieke ruimte van belang, voor cosmopolitans minder. Veiligheid is sowieso belangrijk voor locals want het maakt deel uit van hun oeroude leefwereld waarin de veiligheid gegarandeerd werd door de landheer op basis van de wederkerigheid van de ruil: veiligheid voor voedsel. Ook van belang voor hen is de continuïteit van de Nederlandse identiteit. Zij stellen er prijs op Nederlander te zijn en geen Europeaan. Locals hechten aan tradities, cosmopolitans aan ideeën. Het is van belang te beseffen dat er geen hiërarchie is tussen beiden: zij zijn gelijkwaardig en vaak waardevol, soms ook niet.


Veruit het belangrijkste verschil tussen locals en cosmopolitans is vandaag de dag politieke macht. Locals hebben die macht landelijk niet, cosmopolitans wel. De laatste categorie is oververtegenwoordigd in het parlement, vooral met cosmopolitans uit de kwartaire sector. Hier geldt de 80/20 regel: 20% van de bevolking bepaalt de wetgeving, 80% staat er buiten. Dat was vroeger anders, de “gewone man”, de local, werd ook vertegenwoordigd door de PvdA en de toenmalige KVP.


Naarmate deze 80% buitenstaanders meer politieke macht zou verwerven via landelijke partijen met oog voor hun belangen, zouden de locals meer continuïteit brengen in het openbaar bestuur en de politiek hetgeen zou leiden tot meer evenwicht tussen op continuïteit gerichte locals en op verandering gerichte cosmopolitans. De sociale orde van locals en cosmopolitans die nu uit balans is, zou daardoor weer in balans komen, ook voor nieuwkomers die doorgaans een lokale oriëntatie hebben die ze opnieuw moeten zien te vinden in Nederland. Dat is geen eenvoudige opgave want een zekere verstandhouding met de autochtone Nederlanders is gewenst en met name de gezagsverhoudingen in hun land van herkomst en die in Nederland kunnen danig van elkaar verschillen. Omdat gezag niets anders is dan legitieme macht, is het van belang dat verschillende bevolkingsgroepen van elkaar weten waarop de legitimiteit van hun macht berust. Volgens het hiervoor gestelde hebben locals nauwelijks politieke macht en bevinden zij zich op dat terrein momenteel in een legitimiteitsvacuüm dat met de komst van de nieuwkomers tot een serie nieuwe wijkgebonden sociale bubbels heeft geleid, dat wil zeggen tot gesloten sociale kringen zonder een oriëntatie naar de ander, hooguit naar een oriëntatie naar het land van herkomst waar ze geen deel meer van uitmaken zodat menig nieuwkomer naar de second best oplossing grijpt, in casu religie.


Deze 80/20 verhouding heeft in Nederland geleid tot een overaccentuering van verandering als een morele politieke ideologie en wordt ook wel omschreven als vooruitgang maar dat lijkt me iets teveel van het goede. Als dat zou kloppen zouden we allang in het aardse paradijs beland zijn. Dat zijn we echter niet want de balans tussen continuïteit en verandering is zoek. Dat leidt tot de vervreemde samenleving waarin we nu verkeren.


Vertrouwdheid

Locals voelen zich thuis in een omgeving die ze kennen. Die is bekend en concreet en institutioneel verankerd in gewoonten en tradities. Ze vinden het belangrijk, dat hun wereld legitiem is, hij moet kloppen. In psychologische termen is hun wereld een Gestalt: een samenhangend beeld van een begrijpelijke wereld. Ze hebben familie, vrienden en buren, cosmopolitans daarentegen hebben een netwerk. Ze zijn meer thuis in de abstracte wereld van de geopolitiek, de machtsblokken en zien de EU als zodanig, niet als een Gestalt maar als een project. Cosmopolitans zijn overtuigd van de maakbaarheid van de wereld en vereren de grootschaligheid van de EU als de bron van macht van een mogelijk immens rijk. Locals aanvaarden kleinschaligheid want daarbinnen is de wereld bekend en vertrouwd en ze kunnen binnen de landelijke politiek gezien worden als rechts of conservatief, cosmopolitans als links of progressief. Stad en platteland, randstad en regio vallen ook enigszins binnen dit onderscheid dat bestudeerd wordt binnen de urbane en rurale sociologie. Het onderscheid was oorspronkelijk wetenschappelijk van aard maar werd gepolitiseerd en gemoraliseerd waarbij de local beklagenswaardig is, beter gezegd deplorable en de cosmopolitan verheven. Het onderscheid is nog net niet religieus maar ademt wel de sfeer van de morele dominantie waar vandaag de dag zoveel mensen last van hebben. Zoals Shiller stelt:


The world today is increasingly polarized into locals versus cosmopolitans. My concerns about our college and graduate school education today is that we are further developing a sense of cosmopolitan community for some people, excluding others.” https://globalnetwork.io/perspectives/2017/04/future-globalization-locals-versus-cosmopolitans. Robert J. Shiller, Sterling Professor of Economics Yale University en Nobelprijs winnaar.


Als de samenleving, aldus Shiller, gepolariseerd wordt door locals en cosmopolitans betekent dit dat hun oriëntaties gepolariseerd worden, niet hun afkomst, stand of sociale klasse. Maar wat als hun oriëntaties sterk samenhangen met hun opleiding zoals wel verondersteld wordt? Dan zouden de Ivy Leage universiteiten een exclusiviteit kennen vanwege de cosmopolitans. Maar het zijn niet alleen de rijkeluiszoontjes maar ook de zonen van arme joodse immigranten zoals Robert Merton die daar hun plaats vonden. Hij klom op als een wetenschappelijke local en ik denk dat hij dat in zijn hart altijd gebleven is. En zo zijn ook de Amerikaanse universiteiten bevolkt met locals die ook cosmopolitan zijn. Ze zijn echter “eigenaren” van beide oriëntaties, anders dan in de EU waar alleen cosmopolitans geaccepteerd worden en locals tot de grote groep van zwijgers behoren, de retreatisten of terugtrekkers die nodig zijn voor het spekken van de schatkist want er moeten vele Europese monden gevoed worden door de nationale belastingbetalers.


Het poldermodel

De strijd tegen het water leidde in Nederland tot het ontstaan van de waterschappen. Dat leidde op haar beurt tot het ontstaan van organisatievormen met een decentraal karakter en een meer doelgerichte dan hiërarchische oriëntatie. Die ontwikkeling begon in de tiende eeuw en resulteerde in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in 1515. Nederlanders zijn ook nu nog weinig hiërarchisch georiënteerd en hebben een voorkeur voor een decentrale eenheidsstaat. Ook na tien eeuwen is dat nog herkenbaar in het poldermodel dat streeft naar consensus tussen overheid, werkgevers en werknemers op het terrein van de arbeid en dat ook institutioneel verankerd is in het onderwijs, sport en vrijwilligersorganisaties.


Locals en cosmopolitans waren in de eerste eeuwen van het tweede millennium ingebed in de vroege middeleeuwen, de periode van de vijfde tot en met de tiende eeuw. Ze beantwoordden nog aan het oude onderscheid tussen boer en stedeling dat in de loop van de middeleeuwen gedifferentieerd werd waarbij de stedeling opgenomen werd in een werkverdeling met een organisatievorm die zekerheid bood, pensioen, vast werk en allerlei rituelen, de gilden. Het feodalisme waarin de adel soeverein was en de boeren onderworpen was nog een rechtstreeks uitvloeisel van het oude romeinse onderscheid tussen patriciërs en plebejers maar de gilden vormden een nieuwe stand tussen deze twee in, een stand die we vandaag de dag nog kunnen herkennen als de middenstand.

Waren er in de vroege middeleeuwen nog drie standen, geestelijken, edelen en het gewone volk, met de gilden veranderde die driedeling. Omdat het gewone volk deels opgenomen werd in de gilden die allerlei ambachten en kleinhandel verenigde werd de middenstand (ook wel middenklasse genoemd) een behoorlijk gedifferentieerde aangelegenheid. Ze maakten echter deel uit van een sociale stratificatie waarvoor de term maatschappelijk middenveld of particulier initiatief ook wel geëigend is. Die bestond op lokaal niveau niet alleen uit notabelen (local cosmopolitans) maar ook uit geïnteresseerde burgers.


Wat in de jaren dat ik werkte veranderd is, zowel in de bedrijven als in de opvoeding, is de overgang van een bevels- naar een onderhandelingshuishouding (professor Abram de Swaan), een overgang van onderschikking naar nevenschikking die in meerdere instituties zoals het bedrijfsleven, opvoeding en onderwijs plaats vond. Het betekende een institutionele verandering van formaat waarbij de hiërarchie die zich gevormd had tussen locals en cosmopolitans weer enigszins in een acceptabel evenwicht kwam.


Het Bismarckmodel

De EU kan beschouwd worden als een beginnende vierde bestuurslaag boven rijk, provincie en gemeenten op basis van de veronderstelling dat de natiestaten zullen verdwijnen en plaats zullen maken voor één staat: de EU. Daarmee zou Nederland terecht komen in een hiërarchisch bestuurlijk model dat dan geldt voor alle vroegere lidstaten. Daarmee zou deze bestuurslaag tot op zekere hoogte legitiem zijn als ze verankerd is in de grondwetten van de lidstaten. Voorlopig beschouw ik deze vierde bestuurslaag als een non legitieme macht die voor haar voortbestaan afhankelijk is van het verschaffen van geld en berust op de machtspositie van de cosmopolitans in de nationale elites. Het is dan vergelijkbaar met het bestuurlijk model van Bismarck uit de negentiende eeuw dat alle vorstendommen, graafschappen, hertogdommen et cetera verenigde onder één centrale staat met een eenhoofdige leiding waarbij hij met vooruitziende blik de staat ook voorzag van sociale voorzieningen. Zo wordt de EU ook geënt op één bestuurlijk model uit het Duitse verleden, het bestuurlijk model van Bismarck. Datzelfde deed Stalin: er waren niet meerdere communistische modellen: er was er maar één: het Russische. Na de nazibezetting en de sovjet bezetting komt Oost-Europa nu binnen het bereik van het politiek correcte model van de vermomde Duitse hiërarchie waarbij welwillende Brusselse apparatsjiks hen vertellen wat ze doen moeten in ruil voor geld. Die vermomde Duitse hiërarchie is overigens niet van mij afkomstig maar van Duitsers die ik vroeg of hun hiërarchisch denken na de Oorlog veranderd was. In het geheel niet was het antwoord, we hebben het alleen maar goed vermomd.


Die les heeft Nederland inmiddels geleerd want de Duitsers hebben het Bismarckmodel toegepast op Nederland dat miljarden moest betalen aan Zuid-Europa omdat Duitsland dat wil. Het land beslist, in de woorden van Merton, over doelen en middelen zonder daarvoor de legitimiteit te hebben maar wel de macht. De Duitse kolos vergeet van de weeromstuit ook dat Nederland nog steeds een zelfstandige natie is en ook de Nederlander is dat vergeten. Wij worden gewoon geacht mee te doen met de vermomde Duitse hiërarchie waarin we de onderliggende partij zijn. Duitsland kan het al heel lang niet nalaten om de baas te spelen. Dat is niet zozeer een kwestie van locals in Münsterland of Beieren maar van cosmopolitans in Pruisen en Berlijn, de Hochburg van de hässliche Deutsche die zichzelf in het leven geroepen hebben om te heersen over anderen. Dat hebben ze al twee keer geprobeerd in de vorige eeuw en het lijkt er op dat ze nu, vermomd weliswaar, met de derde keer bezig zijn. Maar ook al zou die derde keer lukken, de Duitsers zijn hun Heimat kwijt en ik ben bang dat ze die niet terugkrijgen want een Heimat is niet gebaseerd op macht maar op weemoed.


De cosmopolitans in Europa hebben niet in de gaten dat Europa alleen gebaseerd kan worden op het organisatieprincipe van de vrijwillige associatie, in Nederland vereniging genoemd, dat is belangenbehartiging op vrijwillige basis. Duitsland en Oost-Europa zijn aan een dergelijk principe voor samenwerking nog lang niet toe, daar is de hiërarchie leidend. En Zuid-Europa haakt af wanneer het geld op is. Pas wanneer deze fase voorbij is ontstaat de mogelijkheid het verenigingsmodel te introduceren en ik heb het idee dat zoiets, mits goed doordacht, een win/win situatie kan opleveren voor alle deelnemende landen.


De Europese Unie: geld, geld en nog eens geld

De Mammon is een vriendelijk baasje vergeleken met de EU. Verschaffen van geld vormt immers het bestaansrecht van de EU. Daarvoor is het verkrijgen van geld een noodzakelijke voorwaarde want zonder geld geen EU. Een van de legendarische mythen die daartoe gecreëerd zijn, is de mythe van het gratis geld dat gemaakt wordt door een geldschepper, een bank. Meer precies is het echter geld dat geleend of gegeven wordt maar in het eerste geval niet terugbetaald wordt en in het tweede geval als een vanzelfsprekendheid aanvaard. De ogenschijnlijke legitimatie voor een Europese Unie is dan dat het daardoor mogelijk wordt geld ter beschikking te stellen aan lidstaten en anderen. Wat dan voor de één een legitimerende factor is, is voor de ander een delegitimerende, ook wel ideologiserende factor, dat wel zeggen, een factor met behulp waarvan je geld binnen kunt halen. Dat is maar de vraag. Zou, wat Napoleon en Hitler niet gelukt is, wel lukken met de verenigde krachten van alle progressieve cosmopolitans?


De politici en veel andere cosmopolitans denken van wel. De local denkt van niet want hij weet dat je geen geld voor niets krijgt. En legitieme macht begint een schaars goed te worden in de wereld en daarmee brokkelt ook de institutionele orde van een samenleving af. De EU is geen samenleving maar wat is het dan wel? Het begint te lijken op een unie met een nonlegitieme machtsverdeling gebaseerd op geld waarbij de winnaars geld krijgen en de verliezers betalen. Dat is geen win-win spel, een spel van wederkerigheid, maar een systeem van eenzijdige afhankelijkheid waar de betaler verliest en de ontvanger wint. Dat leidt tot een schuldenunie met een veelheid van mistige doelen en middelen en als gevolg daarvan, tot retreatism.


Retreatism

Het verval van de institutionele orde blijkt echter uit wat de al eerder genoemde Merton retreatism noemde, een aanpassingsproces dat leidt tot een soort mentale en ook feitelijke terugtrekking uit de maatschappij. In Mertons termen accepteert een retreatist de doelen en middelen van de maatschappij niet en stelt er ook niets tegenover. Ik denk dat wat individualisme genoemd wordt in sociologische termen voor een deel retreatism in de vorm van apathie is en voor een ander deel berusting, met name bij locals. Waar de conformist doelen en middelen nog accepteert, houdt de retreatist deze voor gezien. Voor Nederland met zijn van oudsher sterke verenigingsleven is dat vreemd maar ik denk dat locals nog actief zijn in het lokale verenigingsleven en cosmopolitans lichte sociale netwerken prefereren.

Die ontwikkeling kan afgelezen worden aan het stemgedrag. Locals stemmen landelijk niet zozeer en lokaal stemmen ze op partijen die een plaatselijk belang vertegenwoordigen. Cosmopolitans stemmen landelijk wellicht meer op linkse partijen maar het onderscheid kan niet zomaar politiek vertaald worden want het gaat niet om een politiek maar om een maatschappelijk onderscheid. Zonder een besef van eigenheid loopt de retreatist het risico een nihilist te worden. In dat woord zit een noodlottige en gewelddadige semantiek die al bij de oude Russische schrijvers bekend was. Activisme is ook niets voor locals, het past niet binnen hun oriëntatie terwijl het beter past bij de globale oriëntatie van cosmopolitans die daarmee blijk geven van hun bevlogenheid. Cosmopolitans letten op hun, waar mogelijk, internationale carrière die bevoordeeld wordt door de EU die niets kan met locals. De opkomende Herrschaftstructuur van de EU verandert niet wezenlijk van die van de oude rijken omdat ze gebaseerd is op het eeuwenoude onderscheid tussen locals en cosmopolitans. De Romeinen kenden het onderscheid al, plebejers versus patriciërs, en Karel de Grote ook in de vorm van de leenheren (graven) en hun onderdanen die gekerstend werden door een voor die tijd kosmopolitische priesterklasse. De EU als rijk laat zich goed begrijpen als een vergroot Duits Keizerrijk van Bismarck met de daarbij behorende omvangrijke bureaucratie en bevelshuishouding waarbij vergeleken Kafka's Slot een oord is van prettige zeggenschap.


De EU: de mythe van het grote rijk

Europa is nooit een groot rijk geweest en zal het ook nooit worden. De kracht van Europa ligt in de overzichtelijkheid van de menselijke maat en die houdt vaak op buiten dorp, stad en land. De tekenen van grootheid liggen bij de kathedralen, niet bij de schuldenbergen.

De cosmopolitans binnen de EU willen het Bismarckmodel van een centrale eenheidsstaat voor het ganse gebied van Europa. Dat dit onhaalbaar is behoeft geen betoog meer. Wat veel gevoeliger ligt is de opkomst van retreatism, het niet erkennen van de doelen en middelen van de EU met als gevolg inertie en berusting en daarmee nauw samenhangend een gevoel van vervreemding. Dat houdt in dat je niet meer weet waar je thuis hoort waarmee de EU de locals van hun laatste toevluchtsoord berooft, hun thuis. Komt er dan een nieuwe verhuizing op gang van Europese locals naar Amerika net zoals in de negentiende eeuw toen boeren uit Münsterland en de Achterhoek massaal vertrokken naar het Beloofde Land? Gaan we een nieuw thuis zoeken?



Frans Tolsma

Juli 2020