De nihilist

Het nihilisme heeft wel wat weg van een pathologische vorm van retreatisme. Ik kom nihilisten eigenlijk alleen maar tegen in boeken, in de alledaagse werkelijkheid heb ik ze nog nooit meegemaakt. Daarom zal ik het beperkt houden omdat anderen zoals Paul van Tongeren in zijn boek over het Europese nihilisme er al over uitweiden. Mij interesseert de vraag of je nihilisme als een collectieve aangelegenheid kunt zien, dus niet als een individuele. Nihilisme is van oorsprong een scheldwoord aldus Goudsblom in een studie over nihilisme en cultuur. Nadat Nietzsche erover had geschreven en het bekend werd in de negentiende eeuwse Russische literatuur, kreeg het woord een betere naam. Maar is het alleen een woord of is het ook een begrip?


Het woord is bekend geworden door Nietzsche die het koppelde aan een ander woord dat ook door hem bekend is geworden: ressentiment. Dat is een gevoel van onmacht jegens de heersers en projecteert zich op de onmachtige in de vorm van haat, ongericht of gericht op een groep, een samenleving of een symbool. In de huidige tijd zien we het ressentiment van de links- en rechtsextremisten en vooral ook het ongerichte ressentiment van de jihadist wiens wraak zal worden beloond in het hiernamaals, aldus de hogepriesters van het kwaad. Daar zat de angel die Nietzsche veronachtzaamde, met het verdwijnen van de christelijke moraal verdween ook het besef van goed en kwaad en kwamen heersers aan de macht die het goede vertaalden in goede bedoelingen waarmee, zoals het spreekwoord zegt, de weg naar de hel geplaveid wordt.


Met de goede bedoelingen ging het nihilisme op weg om een collectieve ideologie te worden, een weg waarin goed en kwaad als individuele aangelegenheid langzaam maar zeker achter de horizon verdwijnt. Bij de Russische schrijvers zoals Toergenjev en Tolstoj was nihilisme een individuele aangelegenheid, een collectieve is het nooit geworden. Dat geldt ook voor Nederland, voor zover ik weet. Misschien komt dat omdat geweld dat onverbrekelijk bij nihilisme schijnt te horen, in Nederland niet bij collectieven of individuen scoort, maar een al lang geaccepteerd staatsmonopolie is, aan strakke regels onderworpen zoals Achterhuis duidelijk maakt in zijn belangrijke studie getiteld Met alle geweld. Met Hannah Ahrendt ziet hij de staat als een noodzakelijke voorwaarde voor het voorkomen van geweld. Ik denk dat hij wel gelijk heeft. Zonder een staat kan geweld van alle kanten komen zoals Hobbes veronderstelde. En je ziet het om je heen: een failed state is vooral een staat zonder geweldsmonopolie.


En ik denk dat woorden als nihilisme, ritualisme, retreatisme, vervreemding en anomie om elkaar heen draaien als duistere danseressen op het toneel die je alleen een vermoeden geven van wat ze zijn. Ze willen hun betekenis ongaarne prijs geven want dat zou hetzelfde zijn als een schelle lamp op het toneel die hen laten zien in hun naaktheid. Maar dat zijn ze niet. Ze bestaan echt en hun verhulling verfraait hen en geeft hen het aureool van de magische illusie die mensen internaliseren waarmee ze werkelijkheid worden.


Übermensch of Gutmensch

Zou de teloorgang van de christelijke slavenmoraal dan niet leiden tot de opkomst van de Übermensch, de machtige mens, zeker niet zoals weleens verondersteld wordt, de gewelddadige mens? Er zijn geen tekenen die daarop wijzen. Wat eerder het geval lijkt, is dat de religieuze slavenmoraal van het christendom vervangen is door de seculiere slavenmoraal van de staat waarbij de oude vorm van afhankelijkheid vervangen is door een nieuwe. Het fraaie hierbij is, dat deze slaven gelukkig zijn zoals de marxistische studenten aan de Karl Marx Universiteit te Tilburg in de zestiger jaren tot hun grote verbazing constateerden. Of is de Übermensch tot ons gekomen in de liefdevolle gestalte van de Gutmensch zoals de Duitsers ons zo gaarne willen doen geloven?


De Gutmensch is de waardige opvolger van de aloude geestelijkheid in profane vorm. Ook zij weten wat goed voor ons is waarbij met “ons” het gewone volk bedoeld wordt dat nog bekeerd dient te worden voor zover het dat al niet is. Want wij, het volk, willen altijd wel geloven in wat de heren ons vertellen zolang wij maar niet geplaagd worden door pestilentiën en de wraak van de goden. En zolang de Gutmensch de seculiere god verbeeldt na het verscheiden van de God van Nietzsche op wiens begrafenis hij de eenzame getuige was, is het de god die wij aanbidden. Het vervelende met deze profane geestelijken is dat zij ons, het volk, vertellen wat we doen moeten terwijl wij van oudsher toch het liefst een vreedzaam bestaan willen leiden waarvoor geestelijken absoluut niet nodig zijn. Daarom is het seculiere geloof in deze god van het goede aan het verdwijnen omdat hij aan het eind van zijn latijn is. Ik heb zo’n vermoeden dat er een nieuwe god in de maak is, de bescheiden god van de kleinschaligheid in wie we kunnen geloven en waarin we vertrouwen. In Nederland komt deze god meer en meer in de belangstelling. Zijn kerk is het landschap waarlangs de gelovigen schuifelen in die opgewekte stemming die ontstaat wanneer het Jenseits von Gut und Bӧse verbonden is met het Diesseits van het eeuwige landschap zodat we deel uitmaken van iets dat groter is en dat toch tot onszelf behoort.


Umsonst

Nihilisme is een woord met meerdere betekenissen die bepaald worden door de invalshoek die men gebruikt zoals de filosofische, sociologische en psychologische. Alle drie invalshoeken delen echter een overkoepelende betekenis. Deze is, dat de nihilist geen ethische opvattingen heeft over goed en kwaad en geen morele opvattingen over behoorlijk en onbehoorlijk gedrag. Deze overkoepelende betekenis is daarom goed te omschrijven met het Duitse woord umsonst, niets doet er nog toe.


Het nihilisme van het umsonst heeft sterke connotaties met het lot, misschien beter gezegd het noodlot, dat de menselijke geschiedenis zou bepalen. Deze opvatting leeft sterk in het Duitse historicisme dat stelt dat de gang van de geschiedenis onvermijdelijk is. Het lijkt wel wat op de leer van de predestinatie in het christendom en ook de islam is een religie met duidelijke opvattingen over de voorbestemming van de mens. Men zou hier kunnen spreken van een noodlotnihilisme dat de menselijke geschiedenis vormt uit onbekende krachten, hetzij de dialectiek hetzij de goden. De mens zelf komt er niet aan te pas. Bij dit nihilisme is de mens ontoerekeningsvatbaar.


De gewetenloze nihilist

Gewetensvorming voltrekt zich in de loop der jaren op basis van een moraal die men zich eigen maakt. Dat is niet alleen een persoonlijke kwestie. Men wordt beïnvloed door anderen die men gemakshalve wel aanduidt als de samenleving. Daarom beschouwden de grote Franse sociologen van de conscience morale de samenleving als transcendent aan het individu. Ze is niet zintuiglijk waarneembaar maar wordt wel geaccepteerd als een min of meer dwingende entiteit die verplichtingen stelt aan het individu. Bestaat die “samenleving” nog die verplichtingen stelt? En door welke moraal zou ze dan gekenmerkt worden? En als die “samenleving” niet meer bestaat, kan de staat dan nog, ten einde raad, morele verplichtingen opleggen aan de burger? Wie hierop geen antwoord heeft, neigt naar het nihilisme. Dat is niet het verheven nihilisme van Nietzsche maar het alledaagse nihilisme van degene die zich mentaal “terugtrekt” uit de niet meer bestaande samenleving en de beloften van de staat verwerpt als loze beloften die schuld maken. De term terugtrekking heb ik ontleend aan de socioloog Merton die het retreatism noemt.


De gewetenloze nihilist zou in de psychiatrie geheel anders aangeduid worden en wel als iemand met een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Een mens zonder geweten, zonder empathie, zonder verantwoordelijkheid en gezegend met een dosis narcisme waar alleen hij vrolijk van wordt. Is zijn gedrag een voortvloeisel van een toevallige genetische aberratie of heeft het te maken met de sociale context waarin hij opgegroeid is? Alhoewel Nietzsche op het laatst van zijn leven verpleegd werd wegens een psychische aandoening, zou hij het met beide definities niet eens zijn geweest. Lijden was een inherent onderdeel van het leven en de zielige mensen zou alleen zijn minachting gewekt hebben.


De ongelovige

Stephen Donaldson schreef in de jaren tachtig van de vorige eeuw een fantasyverhaal waarin de hoofdpersoon Thomas Covenant heet, een lepralijder die in een fictief land terecht komt waar hij geacht wordt een kwaadaardig iemand, Lord Foul genaamd, te bestrijden. Daarvoor echter gaat hij naar een nabijgelegen dorp waar hij gemeden wordt als de pest en waar hij een bedelaar ontmoet die hem maant: be true. Daarna wordt hij overreden en komt in het fictieve land terecht.

In het hele wijdlopige verhaal is dit de meest intrigerende zin die ik ben tegengekomen. Wat zou de bedelaar daar in vredesnaam mee bedoelen? True betekent waar, maar in het Nederlands vertaald, betekent het: wees waar? Na enig nadenken besloot ik het te vertalen als: wees waarachtig en na verder nadenken: wees trouw. Niet dat ik daar veel mee opschoot maar het leek mij een correctere vertaling. En dan is de vraag natuurlijk: waarom correcter?

Thomas Covenant gelooft nergens in, daarom wordt hij ook wel de Unbeliever, de Ongelovige genoemd. Zijn witgouden trouwring draagt hij echter nog alhoewel hij van zijn vrouw gescheiden is. In het fictieve land is deze ring van grote betekenis, het is een magische ring, een drager van wild magic, waarmee hij Lord Foul ten val kan brengen. Het verhaal stikt werkelijk van de symboliek maar ondanks dat alles blijft de centrale vraag in dit verhaal toch: wees trouw. Het is de vraag die de bedelaar stelt maar het is ook de vraag die Donaldson aan de nietsvermoedende lezer stelt. Trouw hoort wellicht in een heiligenleven thuis of in een fantasyverhaal, maar dat maakt niet veel uit. Het is iets uit een boek, in het echte leven komt het niet voor, zo lijkt het. Donaldson weet wel beter.

Thomas Covenant is in filosofische zin een nihilist: een strikte ongelovige. In het fictieve land echter wordt hij zeer tegen zijn zin gedwongen om te handelen met behulp van zijn magische trouwring. En daar komt een eerste aap uit de mouw: hij is trouw aan de vrouw waarvan hij gescheiden is. Het ligt voor de hand in te zien dat hij een convenant met zichzelf gesloten heeft om de ring te dragen, zijn vrouw had misschien gelijk om te scheiden van een lepralijder maar het convenant overschrijdt de scheiding als een dwingende opdracht van zijn geest, de ring is niet alleen een symbool van trouw maar ook van liefde. Dat lijkt me een verbazingwekkende vorm van waarachtigheid.

De bedelaar had ook kunnen zeggen, be honest, wees eerlijk, en dat zou binnen de context van het verhaal volstrekt misplaatst zijn geweest. En dan komt de tweede aap uit de mouw: Covenant is niet op zoek naar eerlijkheid, rechtvaardigheid of waarheid, hij is op zoek naar zichzelf en dan helpen dergelijke overwegingen niet, ze zouden hem alleen maar in de weg lopen. Hij wil weten wat hij doet in zijn lepralichaam, wat hem bezielt, wat hem kan redden van de waanzin van zijn lichaam: Leper! Outcast! Unclean, zo roept hij en hij beseft dat het niet alleen op zijn lichaam slaat maar ook op zijn geest: hij is onrein. Hem helpt geen doop in de Jordaan, hij zal zichzelf moeten reinigen, niet met water maar met het vuur van Lord Foul zodat hij kan herrijzen als een feniks uit de as. Hij is een zondaar wiens zonden niet ingefluisterd zijn door god of de duivel maar door zijn eigen door waanzin bedwelmde geest en hij is geen lepralijder meer maar een verdoemde. Zijn redding ligt in het fictieve land van zijn onbewuste waar hij van zondaar tot redder wordt waarmee hij zichzelf waarlijk heeft overwonnen. En is dat niet wat de bedelaar bedoelt: overwin jezelf?


Vervreemding

Bij de eenvoudige nihilist kan alles en hoeft niets: anything goes, het is soms ook een gezellig nihilisme met het beschavingsideaal van de praatgroep waar het piëtisme van de postmoderne devotie heerst. Het is ook het nihilisme van de emotie waar de vrolijkheid van het ene moment op het andere kan verkeren in haat want het bewustzijn heeft geen superego meer dat het in toom houdt zodat het ressentiment in dat bewustzijn een gewillig oor vindt voor geweld. En ook is er de geslepen variant van het nihilisme van de belangengemeenschap die zich met de valse vlag van de waardengemeenschap toont zoals bij de EU die iets obscuurs heeft, als Mephistofeles die de nietsvermoedende burger zijn ziel en zaligheid, dat is zijn identiteit, ontsteelt, nog afgezien van zijn geld.

Het echte gevaar vormt echter niet de belangengemeenschap, die kennen we in Nederland onder de naam van belangengroependemocratie en daarmee kunnen we leven. Duitsland is echter van oudsher een sterk hiërarchisch denkend volk en de EU zou naar alle waarschijnlijkheid een kopie van deze hiërarchie worden. Daarmee zou de Nederlander ongelukkig worden want hij is veel minder hiërarchisch in denken en doen. Nihilistisch zal een Nederlander niet gauw worden maar de huidige bevreemding over de EU kan snel omslaan in vervreemding als wij te maken krijgen met een vermomde vorm van Duitse Herrschaft.

Dat is een speculatieve gedachte. Minder speculatief is de ontwikkeling waarin moord, ook de anonieme moord, meer en meer deel uitmaakt van het dagelijks leven, met name het moorden van moslimfundamentalisten. Zoals altijd is het een klein deel van de aanhangers die geweld gebruiken maar als moord een deel wordt van het gewenningsproces, eigenlijk een legitimeringsproces, in de samenleving wordt het de vraag wanneer de gewenning aan geweld voltooid is of wanneer hij leidt tot een gewelddadige reactie. Met andere woorden, zijn we op weg naar een ongemakkelijke samenleving of naar een samenleving waarin de burgers op voet van oorlog met elkaar komen te staan en moord een legitieme status verkregen heeft?


De geheelde Nietzsche

Na Nietzsche is nihilisme een filosofische categorie gebleven, geen maatschappelijke.

Het lijkt alsof we in een overgangsperiode zitten waarbij fatalisme als een vorm van nihilisme de kop opsteekt. De angst voor de toekomst wordt vandaag de dag gevoed door de ene crisis na de andere. Angst is irrationeel en kan dan ook niet weggepraat worden. Dat proberen de huidige heersers wel maar hun voorgangers hebben illusies gecreëerd die nu rustig hun eigen gang gaan als onverstoorbare schepen in de nacht op weg naar een onbekende bestemming. Hun betoveringen zijn verfletst, hun moralisme is het moralisme van de activist die vol onbehagen voelt dat het volk zich aan het terugtrekken is achter zijn computer waar de Vliegende Hollander als een waanzinnig schip van staat voorbijvliedt in de ziedende maalstroom van de tijd en de tijdgeest in de donkere hemel, als een oude man met een verroeste zeis, hem waarschuwend toefluistert: je moet jezelf redden, ik om je niet halen. En wat kan hij doen, anders dan buigen voor het goddeloos grijnzende scherm van venijn in de wetenschap dat hij weer overgeleverd is aan de aloude goden van de angst, de woede en de wraak.



Frans Tolsma

Herfst 2015