Heren, horigen en naobers

Een geschiedenis wordt pas interessant als er een orde uit naar voren komt, als het een reeks van op zichzelf staande gebeurtenissen is, dan zijn hooguit de gebeurtenissen interessant. De institutionele orde, waaronder het openbaar bestuur, het recht waaronder het eigendomsrecht, het aangaan van contractuele verplichtingen, de afdwingbaarheid van rechten, het onderling geven en nemen binnen de buurtschap, krijgt vorm binnen de loop van vele eeuwen. Er ontwikkelt zich legitimiteit binnen die orde, een gemeenschappelijk gedragen besef van de rechtmatigheid van genoemde zaken. Een legitieme orde is taai, anders dan een orde die op macht gebaseerd is want macht is fluïde, afhankelijk van tijd, plaats en omstandigheden. Macht is in de geschiedenis vooral bekend in de vorm van oorlog en geweld, in Winterswijk komen dan de namen op van Bommen Berend, de bisschop van Münster en Maarten van Rossum, legeraanvoerder. Macht is iedere dag prominent te volgen op het nieuws, legitimiteit moet men opduiken in stoffige archieven.


De eerste leenheer van Winterswijk

Ook Winterswijk was betrokken bij de Saksische kersteningsoorlogen van Karel de Grote. Widukind, een Westfaals edelman, was de eerste door hem benoemde leenheer van een gebied waaronder ook Winterswijk viel. Zoals Stegeman opmerkt:

Aanvoerder der Saksen in hun veeljarig verzet tegen de Franken was hun koene heidensche hertog Wittekind of Widukind, die zich in 785 gewonnen gaf en doopen liet.”

Karel was daarbij zijn peetoom en benoemde de inmiddels bekeerde Widukind tot graaf over een gebied waarin hij orde en recht diende te handhaven. Daarmee begon de ontwikkeling van een feodale orde die gebaseerd was op de hiërarchie tussen heren en horigen en die tot de Franse Tijd, met de nodige variaties natuurlijk zoals de machtswisselingen tussen kerkelijke en seculiere heren, zou blijven bestaan. Macht in de vorm van verovering was daarbij het begin, het vestigen van legitimiteit in de vorm van law and order het doel. Karel ging daarbij niet zachtzinnig te werk. Bij de slag van Verden zou hij 4500 Saksen hebben laten onthoofden. Wat hij misschien van het Romeinse Rijk overgenomen had, was het belang van de institutionele ordening ervan, vooral de rechtsorde en het onderwijs dat hij overliet aan de Kerk.


Winterswijk in de Middeleeuwen

In de Middeleeuwen maakte Winterswijk deel uit van een gebied dat in de huidige tijd zowel Duits als Nederlands is. De graven van Lohn kwamen onder meer in het bezit van de parochie Winterswijk. Bij de vrede van Munster in 1648 die een einde maakte aan de Tachtigjarige Oorlog vervielen alle katholieke bezittingen aan de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en moesten de katholieken tot 1796 gebruik maken van schuilkelders, wat neerkwam op een soort gedoogbeleid van de Republiek.

Alhoewel de sociale structuur in de Middeleeuwen feodaal van karakter was en vaak onderworpen aan het hofrecht, ben ik er van overtuigd dat deze niet dwingend was in het dagelijkse sociale leven. Dorpelingen en boeren waren van elkaar afhankelijk en ontwikkelden een samenleving in de vorm van een Gemeinschaft die gebaseerd werd op onderlinge hulp en bijstand: de naoberschap.


Overtollige zonen

Zo was in het Saksisch recht de bedrijfsopvolging voorbehouden aan de oudste zoon. De resterende zonen konden nog wel op de boerderij blijven maar niet te lang want de monden moesten gevuld worden. De uitweg was soms zelfmoord en in de negentiende eeuw de trek naar Amerika en de opkomst van de textielfabrieken in Winterswijk die wevers nodig hadden. Bij de katholieken was het gebruikelijk dat een of meerdere zonen missionaris werden of naar het klooster gingen waarmee het probleem van de overtollige zonen op ordelijke wijze opgelost werd. De Engelsen hadden oplossingen zoals in het leger gaan of in de overzeese handel, hetgeen bijdroeg tot de vorming van het British Empire. In de Achterhoek waren de laatste twee mogelijkheden echter niet aanwezig.

De zelfmoord als oplossing voor overtollige zonen werd door een fransman, Emile Durkheim, overigens anders gezien. Hij zag de zelfmoord als een ultieme uiting van vervreemding van mensen die het gevoel hadden dat ze er niet bij hoorden in de samenleving. Dat kan, het is in overeenstemming met de overtollige zonen in de Winterswijkse boerensamenleving die ömkes genoemd werden, oompjes. Die waren ook vervreemd en wel in letterlijke zin, ze waren vervreemd van de boerderij waarop ze geboren en getogen waren. Hun zelfmoord was inderdaad een ultieme daad van vervreemding.


Naoberschap

De onderlinge burenhulp, ook wel naoberschap genoemd, is wellicht een van de oudste ordeningsprincipes waarop de boerensamenleving met Winterswijk als dorpskern gebaseerd werd. Het principe maakte het recht mogelijk, niet omgekeerd, want de burenhulp was een voorwaarde voor het ontwikkelen van geldend recht, in eerste instantie het hofrecht dat in feite een deal was tussen heer en horige die door beiden als rechtmatig geaccepteerd werd.

De burenhulp was een overlevingsstrategie en creëerde de legitimiteit van geven en nemen op basis van redelijkheid en billijkheid. Geven en nemen waren onverbrekelijk met elkaar verbonden in de vorm van rechten en plichten en leidde tot besef van wederzijdse afhankelijkheid en het nemen van verantwoordelijkheid voor de naober naast het eigen gezin, een verantwoordelijkheid die essentieel was voor de vorming van een stabiele gemeenschap.

De reden daarvoor was eigenlijk vrij eenvoudig. Wanneer men in een gesloten gemeenschap leeft waarin onderlinge hulp en bijstand bijdragen tot overleving, komt ruzie uiteraard voor maar de ruzie beslechten met geweld verstoort de orde en bedreigt daarmee de continuïteit ervan. Conflicten oplossen wordt daarom gereguleerd binnen de gemeenschap zelf want die heeft er belang bij. Er wordt gepraat en er wordt naar een overeenkomst gezocht, zoals bij het bepalen van de eigendom van grond of het recht op houtkap. Op deze wijze creëert burenhulp verbondenheid, vanuit het besef dat men van elkaar afhankelijk is. Over de generaties heen wordt deze gedragswijze tot traditie. Men vermijdt conflicten, draagt het hart niet op de tong, kijkt de kat uit de boom en is afwachtend wanneer er iets nieuws komt of zegt “jao” hetgeen niets anders betekent dan dat men kennis genomen heeft van de nieuwigheid. Buitenstaanders zien dit als stug, binnenstaanders weten wel beter.

Het ordeningsprincipe van de naoberschap was een voorafschaduwing van de principes van vrijheid, gelijkheid en broederschap zoals die tijdens de Franse Revolutie naar voren kwamen. In tegenstelling tot de Franse Revolutie werden ze niet geboren uit onderworpenheid maar uit wederkerigheid. Mensen kunnen goed met elkaar omgaan als ze weten dat ze van elkaar afhankelijk zijn. Ze zijn gelijken. Het is waarschijnlijk het meest vreedzame ordeningsprincipe dat de Nederlandse samenleving ooit gekend heeft, geboren uit noodzaak en resulterend in vrijheid.


Kerstening

In de achtste eeuw kwamen er met Karel de Grote geloofsverkondigers zoals Bonifatius wier opvattingen als het ware neersloegen in de lokale gemeenschappen en vergroeiden met deze traditie. Burenhulp was niet alleen maar voordelig, het was ook goed. Rituele gebruiken rond geboorte, huwelijk en overlijden bekrachtigden deze moraal die niet opgelegd was maar vanuit de traditie gegroeid. Daarnaast was er sprake van een kerstening die volgens archieven.nl als volgt ontstond.

“De eerste kerkstichting hing waarschijnlijk samen met de gewapenderhand ingevoerde kerstening van het Saksische deel van de oude gouw Hamaland eind 8e eeuw op last van de Frankische vorst Karel de Grote. De bevolking van de veroverde gebieden moest voor de stichting van een parochie en onderhoud van een kerkgebouw en priester een hoofdhof met onderhorige erven en landerijen beschikbaar stellen. Voor de personele bezetting van deze hoofdhof moesten zich per kerspel op iedere 120 inwoners een man en een vrouw in horigheid begeven. De hof Winethereswick bleef eigendom van de bisschop van Munster, die haar omstreeks 1070 schonk aan het St. Mauritiusstift te Munster.”


In deze tijden werd er nog geen belasting geheven en werd het onderhoud van de parochie verzekerd door horigheid aan de heren van de katholieke kerk, de Priesterherrschaft, wellicht de eerste vorm van horigheid in Winterswijk, een horigheid die eeuwen later verwisseld werd door een horigheid aan de hofheer en daarna aan de scholten waarover hierna nog meer. Pas later, toen de geldeconomie zijn intrede had gedaan, kon belasting geheven worden in de vorm van geld en verdween de horigheid geleidelijk, het laatst in de oostelijke Achterhoek. Horigheid kreeg na de Franse Revolutie met zijn idealen van vrijheid, gelijkheid en broederschap een negatieve betekenis maar het is maar zeer de vraag of dit in de tijden daarvoor ook zo gezien werd.


Het belangrijkste gevolg van de kerstening, in sociaal opzicht, was dat er een nieuwe macht ontstond, de Kerk, die zich institutionaliseerde binnen de gemeenschappen. Als vertegenwoordiger van deze macht kwam er naast de oorspronkelijke krijgsheer een nieuwe heer die namens de Kerk de macht vertegenwoordigde. Een bekend vertegenwoordiger was de bisschop van Munster, Bernard von Galen, beter bekend als Bommen Berend die liever ten strijde trok dan de mis las. Na de Reformatie in de zestiende eeuw werd ook de oorspronkelijk katholieke Jacobskerk in Winterswijk hervormd en gingen de katholieken ter kerke in schuilkerken in de omgeving. De krachtmetingen tussen Kerk en Staat, in de feodaliteit Rijk genoemd, resulteerden uiteindelijk in een scheiding tussen Kerk en Staat die in 1795, ten tijde van de Bataafse Republiek, door de Fransen werd ingevoerd. De animositeit tussen katholieken en protestanten werd minder, men leefde binnen zijn eigen zuil, maar de restanten ervan waren na de Tweede Wereldoorlog nog te horen op de straat waar katholieke jongelui in Winterswijk werden uitgescholden voor roomse paap.


Herrschaft en horigheid

In de loop der tijd ontwikkelde zich in de buurtschappen rond Winterswijk een vorm van grootgrondbezit waarvan de eigenaren scholten of scholtenboeren genoemd werden, zaakwaarnemers en later opvolgers van de landadel met overname van hun rechten die overigens tijdens de Bataafse Republiek werden afgeschaft. Ze vervulden oorspronkelijk dezelfde rol als de middlemen in Ierland waarover Simon Vestdijk in zijn boek “Ierse nachten” geschreven heeft. Zij inden de pacht voor hun in Engeland woonachtige adellijke heren. Dezen hadden, anders dan de scholtenboeren, geen band met hun landerijen. Wanneer de pacht niet meer betaald kon worden restte er voornamelijk de uittocht naar Amerika. Deze uittocht heeft rond het midden van de negentiende eeuw ook in Winterswijk plaats gevonden, zij het niet op zo’n grote schaal als in Ierland.


De horigen waren oorspronkelijk verplicht de hofheer te betalen in natura, eieren, meerdere schepel rogge, hammen en dergelijke. Met de opkomst van de geldeconomie werd de verplichting omgezet in geld, dat was gemakkelijker en beter te controleren. Wat de hofheren echter ontging, was dat de schriftelijk vastgelegde verplichting in geld niet voorzien was van een inflatiecorrectie. Het bedrag stond vast en naarmate de horigen beter gebruik maakten van de grond verdienden ze zelf meer en de hofheren, de landadel, relatief minder. Daardoor werden ze gedwongen om bezittingen te verkopen.


Zo zegt Aalbers dat de positie van de horigen sterk gestegen was

als gevolg van de losse band met de hofheer enerzijds, waardoor controle op de door hen bezeten goederen aanmerkelijk verslapt was, en de toegenomen welvaart anderzijds. Deze positie kwam onder meer sterk tot uitdrukking bij de talrijke bezitsuitbreidingen, waarbij de horigen niet alleen in financiële zin als de rijksten van de streek beschouwd werden, maar ook in sociaal opzicht een sterk overwicht konden uitoefenen op de overige boeren.”

Hij vervolgt:

“De oude benaming “scholte”, oorspronkelijk slechts gebezigd voor de bezitter van de hof, de vertegenwoordiger van de grondeigenaar, werd nu een soort eretitel voor iedere voormalige horige, wier goederen dan ook werden aangeduid als scholtengoederen, welke benaming identiek was aan grootgrondbezit.”


De scholten waren oorspronkelijk wel middlemen maar met de verarming van de landadel werd hun positie overgenomen door rijke horigen. De nieuwe scholten waren de eerste echte kapitalisten in de oostelijke Achterhoek en hun kapitaal was grond. Zo werd de horige heer. Een unieke vorm van verticale sociale mobiliteit.


Ik vermeld deze categorie omdat ze in de standenmaatschappij die zich in de negentiende eeuw binnen de boerengemeenschap ontwikkelde een aparte plaats innam. Zij trouwden veelal in waardoor hun bezittingen toenamen (evenals hun inteelt) en waren daarmee feitelijk grootgrondbezitters. Omdat in 1838 het Burgerlijk Wetboek op basis van de code civil van Napoleon zodanig veranderd werd, dat de oudste zoon niet meer het alleenrecht had op het bezit, trad gaandeweg versnippering op. Hun rol kan wellicht nog het beste omschreven worden met het Duitse woord “Herrschaft” in traditionele zin, een vorm van gezag die volledig ingebed was in de sociale orde van de agrarische samenleving en als begrip eigenlijk onvertaalbaar is. De Duitser Max Weber, die hierover geschreven heeft, veronderstelde dat deze gezagsuitoefening plaats zou maken voor bureaucratische Herrschaft, gezag gebaseerd op regels en voorschriften.


De Tachtigjarige Oorlog (1568-1648)

Deze oorlog begon als een opstand van de Nederlanden tegen hun Spaanse overheersers. Daar hadden ze verschillende redenen voor maar de belangrijkste bleek uiteindelijk de tiende penning, een belastingheffing die door Alva werd ingevoerd om de kosten van de overheersing te kunnen betalen. De tiende penning werd een symbool maar er waren talloze andere belastingen en heffingen.


De vrede van Münster in 1648 had als belangrijk gevolg dat er een staatskerk kwam, de Nederduits Gereformeerde Kerk, later de Nederlands Hervormde Kerk. De katholieke goederen vervielen aan de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, katholieken moesten nadien gebruik maken van schuilkerken, vaak vlak over de grens in het katholieke Westfalen. Het einde van de oorlog betekende een nieuwe scheidslijn tussen, in dit geval, protestanten en katholieken, die het ongeveer drie eeuwen, tot circa 1960, heeft volgehouden. Het belangrijkste gevolg was echter, dat Winterswijk deel ging uitmaken van een republiek. De feodale heerschappij van de adel begon aan zijn eind te raken en maakte plaats voor regenten, later in de Franse Tijd opgevolgd door de patriciërs waarmee de standenmaatschappij van de negentiende en eerste helft van de twintigste eeuw tot ontwikkeling kwam. Geschiedenis is voornamelijk de geschiedenis van de heersers, de overheersten lijken de geschiedenis niet waard.


De freule van Dordth: tussen Bataven en Prinsgezinden

Winterswijk haalde de geschiedenisboeken met de executie van de freule van Dordth, behorend tot de Orangisten ook wel Prinsgezinden genoemd, waar de Bataafse Republiek, feitelijk een vazalstaat van Frankrijk die van 1795 tot 1801 duurde, niet veel mee ophad. Ze werd beschuldigd van landverraad en geëxecuteerd op de joodse begraafplaats in Winterswijk. Er is een straat in een wat afgelegen buurt naar haar vernoemd en de Winterswijkse Bataven hebben hun genoegdoening gehaald met een molen, de Bataafse molen.

Net zoals in Frankrijk ging de strijd in Nederland om het afschaffen van privileges, voorrechten, en het creëren van gelijke rechten. Nederland had echter als oude republiek meer ervaring met deals als Frankrijk tijdens het Ancien Régime waar de wil van de koning wet was. Er werd daarom in Nederland ook veel minder bloed vergoten. Zoals Schama over deze periode in Nederland opmerkt:

Dit klimaat van een politieke strijd die het dagelijks leven beheerste, was een directe voorafschaduwing van het klimaat van de Franse Revolutie.” Zelfs in Winterswijk kolkte de maalstroom van de Revolutie eventjes.


De overgang van feodale naar burgerlijke samenleving

Rond 1800 transformeerde de feodale samenleving naar de burgerlijke samenleving. De heren waren niet langer meer adellijk maar bestonden uit scholtenboeren, textielfabrikanten en notabelen. De horigen werden arbeider en de naobers bleven wat ze altijd al geweest waren: naobers. Daarmee kwam de standenmaatschappij tot stand die tot na de Tweede Wereldoorlog intact bleef, zo’n anderhalve eeuw.

Deze stabiele standenmaatschappij berustte mijns inziens op twee pijlers, het grondbezit van de scholtenboeren en het kapitaalbezit in de vorm van fabrieken van de textielfabrikanten. Deze pijlers genereerden inkomsten die resulteerden in meer grond voor de scholtenboeren en meer kapitaal voor de textielfabrikanten die dit ook deels belegden in grond. Echter, anders dan in het Engeland van de negentiende en twintigste eeuw waren de standsverschillen niet zo geprononceerd. De opvattingen waarmee de nieuwe heren werkten waren meer ontleend aan de naburige Duitse opvattingen uit het Rijnland waarin een organisch karakter zat, een samenwerkingsmodel waarbij de heren zich realiseerden dat ze ook afhankelijk waren van de pachtboeren en arbeiders waarin voor uitbuiting geen plaats was, althans in meerderheid. Daarmee werd de standenmaatschappij gelegitimeerd door het in de naoberschap altijd al geldende principe van wederkerigheid. Ik vermoed, dat ze daarom ook zo lang stand kon houden.


De Franse Tijd

Van 1795 tot 1813 was Nederland een vazalstaat van Frankrijk, in 1795 riepen Nederlandse patriotten, gesteund door een Frans leger, de Bataafse republiek uit. In 1798 werd de eerste grondwet ingevoerd. In 1810 werden de arrondissementen ingevoerd alsmede het Franse strafrecht, het civiel recht en de trias politica. Winterswijk, dat in 1811 een zelfstandige gemeente werd, daarvoor viel het onder de heerlijkheid Bredevoort, maakte deel uit van het rechtsgebied van het arrondissement Zutphen. De eerste burgemeester was Hendrik Willink die op 18 juli 1811 door de “sous-prefect“ van het arrondissement werd benoemd tot “maire”. Het kantongerecht te Groenlo maakte ook deel van uit het arrondissement. Deze organisatie en codificatie van het recht, gekoppeld aan de scheiding der machten die een onafhankelijke rechtspraak mogelijk maakte maar ook een onafhankelijke politieke orde die zich in korte tijd ontwikkelde tot een parlementaire democratie, vormde het begin van een samenleving waarin de staat kon ontstaan als zelfstandige macht met als belangrijke nieuwe elementen het gewelds- en belastingmonopolie. Ook de politie maakte daar deel van uit. Zo vermeldt: “De Winterswijkse politie, Geschiedenis van het Winterswijkse Politiekorps 1811-1993” het volgende:


Per keizerlijk decreet van 18 april 1811, inzake benoemingen van commissarissen van politie werd A. Tebbetman benoemd tot commissaris van politie in Winterswijk. Hij had dit te danken aan het feit dat hij rechter was geweest in Zwolle. Winterswijk kreeg een commissaris, omdat het dorp meer dan 5000 inwoners had (6118 inwoners). Het traktement werd overeenkomstig Zijne Majesteits decreet vastgesteld op 2000 francs per jaar (1 franc=47,6 cent)."

In 1810 voerde Napoleon ook in Nederland de dienstplicht in. Daarmee werd de beginnende staat al direct zichtbaar in een van zijn consequenties: het vorderen van zonen voor oorlogen waarin dezen wellicht niet veel zin hadden. Deze dienstplicht is overigens nog steeds niet afgeschaft, ze is opgeschort. De invloed van Napoleon was ook in economisch opzicht zichtbaar, in 1806 voerde hij het continentaal stelsel in, feitelijk een embargo op alle producten uit Engeland waarmee concurrentie vanuit de Engelse textiel voor korte tijd, tot 1814, niet meer gevreesd behoefde te worden in de Winterswijkse textiel.

Onder invloed van de Franse Revolutie kreeg het woord “horige” een negatieve klank, die van onderhorige. Het is maar zeer de vraag of het deze klank daarvoor ook had. Ik denk van niet. De relatie tussen heren en horigen was vanaf 800 volledig ingebed in een stelsel van rechten en plichten die rechtens afgedwongen konden worden, dus zonder geweld. Het berustte primair op de garantie van de heer op veiligheid en orde waartegenover de plicht tot het betalen van belasting bestond. De “echte” horigheid ontstond pas tijdens de industrialisatie met de vorming van het industrieproletariaat, zoals we hierna nog zullen zien.


De natiestaat

Zo begon in deze tijd de ontwikkeling van de natiestaat die nadien door Koning Willem 1 werd uitgebouwd. Onder andere de aanleg van de spoorlijn van Zutphen naar Winterswijk zou zonder deze ontwikkeling niet goed denkbaar zijn geweest. Het vereist een centraal gezag met wettelijke mogelijkheden om indien nodig grond te onteigenen ten behoeve van de aanleg. De staat vertegenwoordigt het centraal gezag waarbij de bijbehorende machtsmiddelen georganiseerd en gebruikt worden op basis van de scheiding der machten en de natie de samenleving vertegenwoordigt,

De natiestaat is een betrekkelijk nieuwe organisatievorm. Daarvoor waren de verhoudingen tussen heren en horigen, nadien de staat en de burgers, gebaseerd op een sociaal contract waarbij de heren veiligheid verschaften in ruil voor belasting in natura of geld. Het is aannemelijk, dat de vorming van de natiestaat, net als de vorming van de naoberschap, voortkwam uit de noodzaak tot vreedzame samenwerking. Bismarck is te beschouwen als een exponent daarvan, hij verenigde de Duitsers met harde hand maar was ook verstandig genoeg om sociale voorzieningen in te voeren in het besef dat de sociale orde daarmee stabieler zou worden.


De emigratie naar Amerika

Voor Winterswijk betekende dit, dat de oriëntatie op het oosten langzaam maar zeker verschoof naar een oriëntatie op het westen waarbij het westen zelfs in Amerika kon liggen want een behoorlijk aantal Winterswijkers emigreerde in de negentiende eeuw naar Amerika. Zo vermeldt de Arnhemse Courant op 15 augustus 1846 het volgende over de emigratie vanuit Winterswijk:

De landverhuizing vanuit deze streken naar Amerika neemt op verbazende wijze toe. Uit deze gemeente van ruim 8000 inwoners zijn nu omstreeks 950 mensen vetrokken en een nog groter aantal maakt zich thans tot de reis gereed.”

Het perspectief op een beter bestaan lag ten grondslag aan deze emigratie, een perspectief dat gevoed werd door gunstige berichten van reeds geëmigreerden. Een van die berichten luidt als volgt:

Het viel mij hard Winterswijk te moeten verlaten, maar ik wens er nooit meer te zijn. De geringen zijn hier zo veel als de rijken. Men behoeft voor niemand den hoed af te nemen. Godsdienst is vrij en Gods volk is hier veel; wij hebben ons er mee verenigd. Hier is een volksregering, is men 5 jaar landbezitter dan is men burger en kiezer. Adel is hier niet. Wij hebben hier geen ambtenaren als honden aan de deur staan, die, zoals bij u, het zuur verdiende loon komen opeisen en ons brood, onze brandstof, onze woning en schoolonderwijs zo duur maken, dat den geringen dagloner in z’n schamele woning moet hongeren en kleumen en onder gebrek en ontbering miskend wordt.”

De Amerikanen hadden vrijheid en gelijkheid al ontdekt voor de Frans Revolutie. De man van wie het bovenstaande citaat afkomstig is, begreep dat uitstekend. All men are created equal. De founding fathers erkenden geen horigen. Zoals de Amerikanen hun vrijheidsmodel hadden neergelegd in de declaration of independence van 1776, zo hadden de Fransen dat gedaan in hun Verklaring van de rechten van de Mens en de Burger in 1789, bekrachtigd door Lodewijk XVI die nadien in 1793 op de guillotine belandde. Marx kwam met zijn gelijkheidsideaal in het communistisch manifest in 1847. Ze spraken over hetzelfde. Vrijheid en gelijkheid voor ieder mens.


Overgangstijd

De eerste helft van de negentiende eeuw was een overgangstijd waarin de sociale orde werd ingebed in de natiestaat met een algemeen geldende “law and order”. Koning Willem 1 was in Nederland daarvan de representant. Met de invoering van de grondwet in 1848 en de daarop volgende kabinetten van Thorbecke werd wetgeving de basis voor de ontwikkeling van de sociale en economische orde zoals met de invoering van het kinderwetje van Van Houten in 1874. Het waren niet alleen meer heren, horigen en naobers die hun zaken onderling regelden, het werden meer en meer politici die “zaken” deden op basis van het verkrijgen van meerderheden. De traditie maakte plaats voor de rationaliteit van het politieke debat en de daarmee samenhangende bureaucratische uitvoering van wetten. Het kiesrecht dat in 1848 nog censuskiesrecht was, werd uiteindelijk in 1917 algemeen ingevoerd en legitimeerde daarmee na 69 jaar van discussie de politieke macht. Dat wil zeggen dat er circa vier generaties nodig waren voor de legitimering van de besluitvorming terzake. Democratieën bestaan bij de gratie van het debat dat over de generaties heen gaat en beklijft in legitieme opvattingen.


De rationele Herrschaft was veel later in Winterswijk te merken toen na de oorlog de heren van de ruilverkaveling kwamen om de boeren van het nut ervan te overtuigen. De traditie had plaats gemaakt voor de bureaucratie, een verandering die in de negentiende eeuw inzette en waarbij de rechte lijn leidend was voor de vorming van de infrastructuur. Het enige overblijfsel dat mij bekend is waarin de sociale structuur weerspiegeld wordt in de bouw is de Lappenbrink, een kronkelige verzameling huizen en huisjes die in gelukzalige verbondenheid tegen elkaar aanleunen.



De industrialisatie

Het gebruik van werktuigen om producten te vervaardigen was al lang in zwang maar pas toen het in de negentiende eeuw een industrie werd kon het woord daaraan geassocieerd worden met als belangrijkste kenmerken massavervaardiging in fabrieken, dat wil zeggen van productie naar massaproductie met behulp van technologie zoals de stoommachine en later de lopende band. Dat gold niet voor de Winterswijkse textielfabrieken want daar werden weefgetouwen gebruikt die de wever nog een eigen verantwoordelijkheid gaven bij het gebruik. Het maatschappelijke gevolg van de industrialisatie was het ontstaan van een klasse van fabriekswerkers, de arbeidersklasse.

Coöperatieven

De industrialisatie in de negentiende eeuw betekende voor Winterswijk de komst van de textielindustrie, de aanleg van spoorlijnen en de komst van nieuwe landbouwwerktuigen zoals de dorsmachine die het dorsen met de vlegel verving. Het eigendom van deze werktuigen werd ondergebracht in coöperatieve verenigingen hetgeen in lijn met de oude traditie was. Financiering en lening werden verstrekt door de Boerenleenbanken, eveneens coöperaties. Geld werd uitgeleend op basis van vertrouwen, iets dat alleen kan in een gemeenschap waar vertrouwen gefundeerd is op een traditie van geven en nemen. De coöperatie was eigenlijk een vorm van burenhulp in een nieuw jasje en kan beschouwd worden als een van de belangrijkste sociaal-economische uitvindingen van de negentiende eeuw. Naast deze coöperaties ontstonden tevens onderlinge waarborgmaatschappijen, in de volksmond “onderlinge” genoemd. Het waren de eerste verzekeringsmaatschappijen. Ook de coöperatieve landbouwverenigingen passen in dit beeld. Ze hadden niet voor niets de verenigingsvorm, want in een vereniging hebben de leden het voor het zeggen. Maar alle drie organisatievormen waren gebaseerd op de eeuwenoude traditie van onderlinge hulp en bijstand op lokale basis.


Disciplinering

Een andere belangrijke sociale “uitvinding” was de disciplinering. Mensen die binnen de boerengemeenschap gewend waren aan het ritme van dag en nacht en de seizoenen gingen werken in fabrieken met een vastgestelde begin- en eindtijd waarop geklokt werd. Het besef van tijd veranderde daarmee van een natuur gebonden ritme naar een fabriek gebonden ritme dat bestond uit een zevendaagse herhaling waarbij de zondag vrij was. Wij zijn er nu aan gewend maar het moet in het begin van de industrialisatie een vreemde gewaarwording zijn geweest binnen een agrarische samenleving, dat zei genoeg.


Het werk als broodwinning

En met de komst van de industrialisatie kwam de komst van een nieuwe vorm van Herrschaft: de textielfabrikant. Deze zocht mensen die tegen betaling werkzaamheden verrichtten, eerst thuis, later in de fabriek. Zij accumuleerden, anders dan de scholten, geen kapitaal in de vorm van grond maar in de vorm van kapitaalgoederen en geld en later ook wel in de vorm van landgoederen, vooral in Twente. Willink, een Winterswijkse textielfabrikant, was daarbij de wegbereider voor transporten naar het westen en het oosten via de spoorlijn.

En met de komst van de fabriek ontstond eveneens een nieuwe sociale kring, het “werk” waar vader deel van uitmaakte, de rest van het gezin niet. Anders dan bij de boeren en de plaatselijke middenstand waar het hele gezin deel uitmaakte van het “werk”, was voor de fabrieksarbeider het werk iets dat buiten hemzelf stond, het was een broodwinning. Hij fietste naar het werk met onder de snelbinders een blauw busje met boterhammen voor tussen de middag. Een boer had geen broodwinning, hij was boer, dat zei genoeg.


Het werken in de textielfabriek was waarschijnlijk de belangrijkste verandering in de sociale structuur van Winterswijk in vele eeuwen omdat het leidde tot een nieuwe sociale klasse, de textielarbeiders. Ze stonden vanaf circa het midden van de negentiende eeuw tot aan circa 1960 onderaan de maatschappelijke ladder en om hun belangen bekommerde zich alleen de sociaal democratische arbeiderspartij en later ook de katholieke arbeidersbeweging. De overheid en de katholieke kerk waren vooral geïnteresseerd in het brengen van zedelijkheid, deze nieuwe sociale klasse diende zich netjes te gedragen. n Winterswijk werden voor deze klasse aparte wijken gebouwd zoals de arbeidersbuurt de Vrees, in de volksmond het Rooie Dorp genoemd en er ontstond voor deze klasse ook een politieke bewustwording die leidde tot het tot stand komen van een politieke partij, de SDAP, de Sociaal-democratische Arbeiderspartij. Generaties lang was het vanzelfsprekend dat de burgemeester lid van de PvdA was.


Ze ontwikkelden zich niet tot tot naobers zoals in het buitengebied want hun rechten en plichten waren niet meer “horizontaal” gedefinieerd als tussen gelijken maar “verticaal” jegens de fabrikant.

Zoals het Utrechts Nieuwsblad op 11 juli 1911 meldt:

Timmerliedenstaking te Winterswijk geëindigd.

Men seint ons uit Winterswijk: De staking der timmerlieden te Winterswijk die 10 weken geduurd heeft, is thans geëindigd. Woensdag wordt het werk hervat. Het standaardloon wordt voor den volleerden werkman van 16 op 17 cent en misschien later op 18 cent per uur gebracht.”


Hemelrijk zegt daarover:

Het was de eerste staking die ik meemaakte, waarschijnlijk de eerste georganiseerde in ons dorp. Er werden door de stakers strooibiljetten huis aan huis verspreid, om de billijkheid der eisen toe te lichten. Want iedereen bemoeide zich ermee en praatte erover. De burgerij zag er een daad van oproer in. Als de knechten aan hun bazen de wet wilden voorschrijven, kwam de wereld op zijn kop te staan. Daar hield men niet van, van zo’n omgekeerde wereld, men hield van orde en van de bestaande toestand. Ook veel arbeiders keurden de staking af. Ze vonden het een onbeschaamdheid of een dwaasheid. De knechten moesten blij zijn, dat ze werk en eten hadden.”


Dat de knechten blij mochten zijn met werk en eten, getuigt van een zekere serviliteit. Maar in tegenstelling tot de industrialisatie in Engeland waren de textielfabrieken in Winterswijk meer georganiseerd op basis van het Rijnland model, dat een vreedzame co-existentie veronderstelt tussen kapitaal en arbeid waarbij de fabrikant de zorg voor de arbeider en de lokale samenleving tot zijn verantwoordelijkheid rekent. Dat kwam met name tot uiting bij de doopsgezinde en katholieke fabrikanten die het Angelsaksische model van de uitbuiting van de arbeider afwezen. Zo hadden de werknemers van de Gebroeders Driessen, textielfabrikanten te Aalten, al in het midden van de negentiende eeuw een ziektekostenverzekering waarvoor ze een premie van zes cent per week betaalden en bij ziekte een uitkering van drie gulden. Jongeren beneden de zestien jaar betaalden drie cent en kregen daarvoor bij ziekte een uitkering van 1,5 gulden per week. Veel later bleek ook, dat zowel fabrikanten als arbeiders niets ophadden met de tegenstellingen zoals die gecreëerd waren door het nationaal-socialisme.


Samenvattend

De geschiedenis van Winterswijk is de geschiedenis van een stabiele, voorheen tamelijk gesloten gemeenschap waarin sociale veranderingen bewerkstelligd worden door externe factoren met uitzondering van de scholten en de textielfabrikanten waarvan de eerste generaties beschouwd kunnen worden als “interne factoren” die onbedoeld belangrijke sociale veranderingen bewerkstelligden. Bij de scholten gold dit voor de sociale structuur van de buurtschappen, bij de textielfabrikanten het dorp. Anders dan in Engeland leidden deze veranderingen niet tot scherpe klassentegenstellingen, het Rijnland model was van Rijnland/Westfalen overgewaaid naar Winterswijk. Individueel ondernemerschap als autonome factor voor sociale verandering was ook in Winterswijk duidelijk aantoonbaar. Maar verreweg de belangrijkste sociaal structurele verandering kwam toen met de komst van het ondernemerschap een klasse ontstond waar gezin en werk uit elkaar gehaald waren, de arbeidersklasse. Deze kwam met de textielfabrikant en verdween toen de textielfabrikant verdween, heren en horigen voor een eeuw verenigd in een doorgaans vreedzame co-existentie, in opkomst, bloei en ondergang van de textielindustrie.

Bekijkt men de heren, horigen en naobers vanuit hun rol in het maatschappelijke spel, dan kan gesteld worden dat hun rollen berustten op wederkerigheid, ze waren wederzijds van elkaar afhankelijk. Natuurlijk was er sprake van macht maar deze macht was niet gebaseerd op een doctrinair stelsel maar op de noodzaak de sociale orde soms met machtsmiddelen te handhaven. Het is niet vreemd dat een dergelijke orde, met alle aanpassingen van dien, door de eeuwen heen bewaard bleef tot de komst van de verzorgingsstaat. Deze bracht vele rechten maar verzuimde de andere kant van de medaille te bekijken, de plichten, met alle nadelige gevolgen.

Kenmerkend voor de naoberschap was het besef van verantwoordelijkheid dat gebaseerd is op het idee van verplichting. Men ging jegens elkaar verplichtingen aan van een moreel karakter, men behoorde elkaar te helpen. Naobers waren niet alleen buren, ze maakten deel uit van een wederzijds stelsel van verplichtingen die als vanzelfsprekend geaccepteerd werden. Dit stelsel is na de oorlog vrijwel verdwenen met de bijbehorende moraal. Morele opvattingen zijn abstract geworden, ze hebben niet meer betrekking op concrete naobers maar op abstracte die vaak ver weg zijn. Zoals de naobers wisten, een recht zonder plicht heeft geen enkele waarde en de heren en horigen waren daarvan ook goed op de hoogte.


Winterswijk bestaat zo'n duizend jaar, Nederland als staat zo'n tweehonderd jaar en de EU met haar voorgangers zo'n zestig jaar. Wie houdt het het langst vol? Het antwoord is verbluffend simpel: de lokale gemeenschap waaronder Winterswijk. Als die niet meer zouden bestaan, bestaat de rest ook niet meer. Grote rijken bestaan bij de gratie van lokale gemeenschappen.


Frans Tolsma

juli 2011


Geraadpleegde literatuur


Aalbers, P.G., Het einde van de horigheid in Twente en Oost-Gelderland 1795-1850, dissertatie, De Walburg Pers, Zutphen, 1979. Voor een samenvatting zie www.vereniginggelre.nl waar Aalbers opmerkt: ”Door hun bijzondere rechtspositie en hun grote materiele voorspoed groeiden de Bredevoortse hofhorigen allengs uit tot een aparte boerenstand die zich ver verwijderd achtte van de gewone boeren uit de omgeving. Vanaf de zeventiende eeuw hanteerden zij voor zichzelf en hun directe verwanten de titel scholte, al dekte deze benaming geenszins meer de oorspronkelijke betekenis van deze functie.” Hij vervolgt: ’De benaming scholte, vroeger slechts gereserveerd voor de directe vertegenwoordiger van de grondeigenaar en niet voor de overige hofhorigen, werd voortaan een soort eretitel voor iedere welgestelde horige, wiens goederen voortaan werden aangeduid als scholtengoederen.” Een geheel andere ontwikkeling dus als bij de middlemen in Ierland.

Stegeman merkt hierover op: ”Veelal wordt verondersteld, dat het grond- en pachthoevenbezit der scholten op middeleeuwse erfenis zal berusten. Doch dat is dan een vergissing. Oorspronkelijk toch zijn de scholten slechts ambtenaren geweest, evengoed horig als de onder hun toezicht staande pachthoevebewoners, al zullen zij dan, ook financieel, niet de zwaksten onder de broederen zijn geweest.”

Hij vervolgt: ”Hoewel zij dus stellig ook oudtijds reeds de kernen van hun bezit zullen hebben gevormd, dateren toch de grootste aanwinsten van hun grond- en hoevenbezit voor de meeste scholten uit de laatste drie eeuwen, zoals hun familiepapieren overtuigend uitwijzen. Vooral in de 17e en 18e eeuw, toen de laatste hofmarkresten onder de hamer werden gebracht en de reeds lang zeer bezwaarde adellijke goederen in dit kerspel voor en na door verkoop uit elkaar gerafeld werden, hebben in het bijzonder de scholten door veeltijds billijke aankopen hun bezit weten te vergroten.”

Uit: Stegeman, B., Scholtengoederen, Misset, Doetinchem, p.30.

Heuvel, H.W., Oud-Achterhoeksch boerenleven, het heele jaar rond, Kluwer, Deventer, 1947. Hij romantiseert de naoberschap behoorlijk maar laat de essentie ervan, de wederkerigheid, goed uitkomen.

Stegeman, B., Het oude kerspel Winterswijk, Gijsbers & van Loon, Arnhem, 1969. Het citaat over Widukind staat op p. 8.

Te Voortwis, J.B., Winterswijk onder het vergrootglas, micro-geschiedenis van dorp en platteland in de jaren 1500 tot 1750, Uitgeverij Fagus, Aalten, 2005.

Te Voortwis, J.B., Winterswijk onder het vergrootglas, micro/geschiedenis van dorp en platteland in de jaren 1500 tot 1750. Deel 2 het platteland, Uitgeverij Fagus, Aalten, 2005.

Willink, B., Heren van de stoom, Walburg pers, Zutphen, 2006.

Judt, T., Na de oorlog, een geschiedenis van Europa na 1945, Uitgeverij Contact, 2010.

Schama, S., Kroniek van de Frans Revolutie, Uitgeverij Contact, Amsterdam, 1989. Het citaat staat op p.261.

Schelsky, H., Die Arbeit tun die anderen, Klassenkampf und Priesterherrschaft der Intellektuellen, Westdeutscher Verlag, Opladen, 1975. Schelsky analyseerde, evenals een collega van hem, Ralf Dahrendorf dat deed in zijn boek Gesellschaft und Freiheit, het conflict, maar waar Dahrendorf het conflict nog zag in de oude Duitse traditie van de dialectiek, had Schelsky meer oog voor de ideologie van het conflict, eenvoudig gezegd, de hebzucht die mensen ertoe drijft hun belangen te definiëren in verheven doelstellingen.

Weber, M., Wirtschaft und Gesellschaft, Grundriss der verstehende Soziologie, Studienausgabe, Mohr, Tübingen, 1976. Het is de vraag of de ontwikkelingen na de oorlog op het terrein van macht en legitimiteit nog begrepen kunnen worden met de Herrschaft typologie van Weber (rationeel, traditioneel en charismatisch). Er is een nieuw soort macht ontstaan binnen de verzorgingsstaat en de EU die met de Weberiaanse begrippen niet goed begrepen kan worden, een macht die collectief van aard en daarmee onzichtbaar is. Het lijkt wat op de onzichtbare Herrschaft van Het Slot van Kafka maar dit is een impressionistische waarneming.

Elias, N., Het civilisatieproces, Sociogenetische en psychogenetische onderzoekingen, Utrecht, Het Spectrum, 1982.

Thoenes, P., De elite in de verzorgingsstaat, Sociologische proeve van een terugkeer naar domineesland, Stenfert Kroese, Leiden, 1962. Citaat op p.189. De functionarissen-elite zoals Thoenes die in 1962 noemde was mijns inziens de voorloper van de linkse kerk die haar morele superioriteit ging claimen eind jaren zestig, begin jaren zeventig. In Nijmegen, waar ik toen studeerde, was dit te merken bij studenten die aanhanger waren van een soort dogmatisch vulgair marxisme dat de wereld verdeelde in goeden en slechten waarbij de aanhangers tot de goeden behoorden, de rest tot de slechten. Bij de slechten waren er twee zeer slechten, de joden en de Amerikanen. Het was al voldoende om in een anti-Vietnam demonstratie mee te lopen en “Johnson moordenaar” te scanderen om bij de goeden te behoren. Het ging daarbij echter om enkele procenten van de studentenpopulatie. Er was een veel grotere tegenstelling als die tussen kapitaal en arbeid, die tussen de Beatles en de Rolling Stones.

Luhmann, N., Legitimation durch Verfahren, Frankfurt am Main, Neuwied/Berlin, Luchterhand, 1969. Hij ziet de rechtsgang als een legitimiteit creërende fuik. Aan het eind ervan ligt onontkoombaar de uitspraak. Het gezag van de rechter is hierop gebaseerd, niet op macht. Het recht als legitimiteit creërend principe vormt het fundament van de rechtstaat.