Wederkerigheid

Wederkerigheid is gebaseerd op het besef van wederzijdse afhankelijkheid tussen gelijkwaardige partijen, ook wel interdependentie genoemd. Die is aanwezig in vrijwel alle sociale instituties zoals gezin, school en werk. Kinderen en ouders, leraren en leerlingen, werkgevers en werknemers, kopers en verkopers, beseffen dat ze van elkaar afhankelijk zijn. Vanuit dat besef ontstaan wederzijdse verwachtingen over passend gedrag waarbij wederkerigheid inhoudt dat er sprake is van een wederzijds belang. Het is soms gebaseerd op een contract zoals het koopcontract of het arbeidscontract maar lang niet altijd want ouders en kinderen sluiten geen contract evenals vrienden. Daar is wederkerigheid zo vanzelfsprekend dat er geen contract voor nodig is. Er is in de sociologie en filosofie wel eens sprake van een “sociaal contract” tussen individu en gemeenschap, tussen burger en staat met een balans die voor beide partijen voordelig is.

Wederkerigheid is evenals huwelijk, vriendschap en liefde daarom ook niet te politiseren in links of rechts, deze verschijnselen zijn zo direct verbonden met menselijkheid dat geen enkele politieke partij ze op kan eisen. Het wederkerigheidsdomein is apolitiek, de belangrijkste keuzen in het leven zoals het samenleven met een partner, het krijgen van kinderen, het fan worden van een voetbalvereniging, het zaken doen, het oprichten van een bedrijf komen niet voort uit politieke opvattingen. Wederkerigheid is een praktisch principe dat ongestoord zijn gang gaat buiten de politiek om.

Macht is een principe dat gericht is op het creëren van eenzijdige afhankelijkheid van de mindermachtige ten opzichte van de meermachtige en is vandaag de dag doorgaans gebaseerd op een ideologie die gepresenteerd wordt als een goede bedoeling zodat de mindermachtige zeer goed moet uitkijken voor de addertjes onder het verbale gras. Macht werkt, anders dan wederkerigheid, vaak als een zero sum game, de winst voor de een is het verlies voor de ander. Zo kan bij de herverdeling van geld via belastingen het groepsbelang gepresenteerd worden als een algemeen belang. Als de belangen maar abstract genoeg gedefinieerd worden lukt dat ook wel.

Macht wordt gelegitimeerd, is dat niet het geval dan verdwijnt de macht na een tijdje. Wordt de macht gelegitimeerd, dan spreken we van gezag. Een samenleving zonder gezag is niet goed voorstelbaar. Dan zouden alle beslissingen via macht genomen moeten worden of, dat kan ook, er worden geen beslissingen genomen. Dat zie je in Nederland enigszins maar ook in de EU. Er zijn daar geen legitimeringskaders die de macht legitimeren zodat voor ieder wissewasje een legitimeringskader nodig is. Die worden gepresenteerd als een goede bedoeling, zoals zojuist gezegd en dat lijkt heel wat. De addertjes onder het gras komen later.

De institutionele orde vormt de basis voor de sociale orde waarin we leven en onze opvattingen ventileren. Deze orde lijkt behoorlijk te verzwakken. Veranderen doet ze altijd maar het leek altijd rustig te gaan, zowel bij de opvoeding van kinderen in het gezin en op school als bij het recht en vooral ook bij de politieke orde waar we lange tijd te maken hadden met de scheiding der machten tussen gemeente, provincie en rijk. Wederkerigheid is van oudsher verankerd op vertrouwen en solidariteit maar deze verankering is deels losgeslagen. We beroepen ons nog wel op Montesquieu bij de institutionalisering van macht maar het lijkt erop dat met betrekking tot dit onderwerp meer naar Foucault verwezen wordt.

Het altijd gerespecteerde sociologische onderscheid tussen locals en cosmopolitans begint te verzwakken, zowel in de geografische als in de virtuele ruimte. Cosmopolitans zie ik meer naar het platteland trekken en de daar altijd al aanwezige locals gebruiken internet en verkrijgen aldus eenzelfde cosmopolitische oriëntatie als de cosmopolitans die op hun beurt de lokale oriëntatie respecteren. Misschien is deze wereldwijde nieuwbouw op het terrein van de sociale stratificatie wel de tot dusverre belangrijkste functie van internet. Deze “localcosmopolitans” vormen een nieuwe stand, geen klasse, die bezig is de oude middenklasse te vervangen en staan wel bekend als deugmensen die de oude religieuze ethiek vervangen hebben door een deugdenmoraal die vrijwel geheel overeenkomt met de oude christelijke ethiek met als belangrijkst kenmerk dat de deugden betaald dienen te worden door de staat.

Zo ontwikkelt zich een aangepaste economische stratificatie met een onderklasse, middenklasse en bovenklasse waar de middenklasse zich meer ontwikkelt tot een sociaal-culturele stratificatie dan tot een economische klasse.

Wederkerigheid lijkt in de oorsprong een darwinistisch overlevingsprincipe. Mensen kunnen op zichzelf niet overleven, daar hebben ze anderen voor nodig. Of het nu om akkerbouwers ging, jagers of veehoeders, mensen hebben altijd van oorsprong in groepen samengewerkt om te kunnen overleven vanuit het besef dat ze dat alleen niet kunnen. Wederkerigheid is daarom ook geen genetisch gegeven, het groeit tijdens de opvoeding evenals taal, ook geen genetisch gegeven. Het zijn typisch sociale verschijnselen, ze kunnen zich alleen ontwikkelen via de interactie met anderen en onttrekken zich daarmee aan oorzakelijkheid. De een is niet de oorzaak van de wederkerigheid van de ander, het is de wisselwerking tussen mensen die tot wederkerigheid leidt. Het is daarom ook zeker geen altruïsme of solidariteit, het is oorspronkelijk niet meer dan een overlevingsprincipe dat zich in de loop der tijd heeft ontwikkeld tot een legitimeringsprincipe voor het sociaal gedrag in kleine gemeenschappen en vandaar uit naar de grotere gemeenschap van stad en ommelanden en vervolgens binnen de grotere maatschappij.

Een goed voorbeeld hiervan vormt Nederland. Dit land is van oorsprong een samenwerkingsverband tussen verschillende steden en provincies waarbij een sterke centrale macht niet geaccepteerd werd omdat die de machtsbalans tezeer zou ontregelen. Het Nederlandse bestuursmodel is al sinds eeuwen een poldermodel waarin ieder het zijne verlangt op basis van een stelsel van geven en nemen. Ook na de oorlog werkte dit tot volle tevredenheid, de verzorgingsstaat is er op gebaseerd.

Met de komst van de EU is dit stelsel aan het veranderen. De EU is niet gebaseerd op wederkerigheid maar op macht en sanctie. Het leidt, met andere woorden, tot een stelsel van eenzijdige afhankelijkheden maar dat kan alleen effectief zijn wanneer de EU beschikt over een belasting- en een geweldsmonopolie waarmee sancties effectief doorgevoerd kunnen worden. Dat is vooral van belang wanneer de EU zich tot een geopolitiek machtsblok wil ontwikkelen waarbij de centrale macht niet gehinderd wordt door de verschillende belangen van de lidstaten. Dan wordt het mondiaal tot een onderdeel van machtsblokken zoals China, Rusland, Amerika en India die allen beschikken over een geaccepteerde centrale macht en een centraal belasting- en geweldsmonopolie en op dat niveau zou men dan inderdaad kunnen spreken van wederkerigheid, hoe vreemd dat ook op dit niveau moge klinken.

Nederland heeft eenzelfde ontwikkeling doorgemaakt waarbij het belasting- en geweldsmonopolie langzaam maar zeker verschoof van de steden, provincies, lenen en bisdommen naar de natiestaat, een ontwikkeling van enkele eeuwen. Men doet het wel voorkomen, dat de natiestaat binnen enkele decennia zou kunnen verdwijnen maar dat is baarlijke nonsens. De blijvers op het wereldtoneel zijn die landen en rijken die wederkerigheid in een gezaghebbende institutionele orde opgenomen hebben. Dat geldt natuurlijk ook voor de EU.

Vrijwillig verplicht

Kenmerkend voor wederkerigheid is, dat men op vrijwillige basis verplichtingen aangaat. Zo sluit men een huwelijk op vrijwillige basis waarbij men de huwelijkse verplichtingen, die naar tijd en plaats kunnen verschillen, in acht neemt.

Wederkerigheid en solidariteit

Solidariteit is belangeloos, wederkerigheid niet. Als Nederland ontwikkelingsgeld geeft aan een ander land doet men dat uit solidariteit. Wederkerigheid is een praktisch principe, solidariteit een ethisch principe. Solidariteit komt doorgaans tot uiting bij demonstraties waarbij men zich solidair verklaart met de onderdrukte groep.

Wederkerigheid en participatie

Het is ook verstandig om wederkerigheid en participatie goed uit elkaar te houden. Participatie betekent zoiets als meedoen met de samenleving en in dat verband wordt weleens gesproken over de participatiesamenleving. Participatie in de vorm van vrijwilligerswerk, gebaseerd op humanitaire of christelijke overwegingen, is even oud als Nederland zelf.

Volledige wederkerigheid als utopie

Volledige wederkerigheid wordt gekenmerkt door het ontbreken van macht, dat is immers het vermogen om een ander iets te laten doen wat hij niet wil. Macht betekent het niet erkennen van wederzijdse afhankelijkheid, waarbij de macht incasserende partij afhankelijk is van de macht uitoefenende partij. Macht zegt, ik ben de baas, jij dus niet. Er is sprake van onderschikking, dat wil zeggen, er is een baas en er is een ondergeschikte die moet doen wat de baas zegt.

Het fundamentele verschil is dat wederkerigheid uitgaat van de gelijkwaardigheid van mensen en instanties en berust op nevenschikking tussen mensen als subjecten. Dat wil absoluut niet zeggen dat er daarbij sprake is van gelijkheid tussen de subjecten, er is sprake van gelijkwaardigheid vanwege de subject-subject relatie. De relatie tussen ouders en kinderen is er niet een van gelijkheid maar van gelijkwaardigheid, dat wordt bedoeld met het gezegde “iemand in zijn waarde laten”. Dat is tot op zekere hoogte een utopie. Machiavelli beschreef de relatie tussen heerser en onderdaan als een gelijkwaardige: de heerser heft belasting in ruil voor bescherming. Raakt die verhouding uit balans, dan heeft de onderdaan het recht om de heerser te doden, een kwestie van macht. De wens naar wederkerigheid vergt kennelijk ook een noodzaak tot macht in die situaties waar macht tegenmacht vergt.

Globalisering

Globalisering kan beschouwd worden als een proces van toename van wederkerigheid op mondiaal niveau. Het wordt door Benjamin Barber ook wel glokalisering genoemd, dat betekent dat je een globaal perspectief kunt hebben en dat lokaal waar maakt. Wat precies een goede definitie is, acht ik niet zo van belang.

Het veruit belangrijkste aspect ervan is de mondialisering van de verdeling van de arbeid, in belangrijke mate mogelijk gemaakt door internet. Bij de ontwikkeling van software is het al heel gewoon dat mensen op de ene plek op de aardbol samenwerken met mensen op een andere plek, duizenden kilometers verder. Arbeidsverdeling wordt in toenemende mate kennisverdeling. Daarbij is het comparatieve voordeel niet gelegen in geografische ligging of aardse hulpbronnen, het is de organisatie van de kennis, de creativiteit (ik noem het woord innovatie niet, het is een walgelijk woord), de moed om iets te ondernemen die doorslaggevend worden. Daarbij kunnen de natiestaten en internationale samenwerkingsverbanden faciliterend optreden ten behoeve van de bedrijven die het uiteindelijk moeten waarmaken. Ik vind globalisering een prima ontwikkeling, het brengt mensen uit alle delen van de wereld bij elkaar waardoor onderling wantrouwen vermindert en men elkaar op waarde weet te schatten. In de jaren negentig werkte ik met Roemenen en vandaag de dag werken mijn opvolgers in mijn voormalige bedrijf ook met Bosniërs uit Sarajevo, een stad die ik alleen kende van de snipers. Bij deze samenwerking gaat het uiteraard om wederkerigheid, wederzijds voordeel op basis van kennis en kunde. En het mooie is dat het zeker niet alleen geldt voor grote bedrijven, het geldt misschien nog wel meer voor het MKB. Een mooie en vooral ook een hoopgevende ontwikkeling.

Frans Tolsma

Januari 2014